RHAPSODY

Kingston

“Don’t talk to anyone. Don’t stop, keep walking. If you want to know something go to the police. If you don’t trust it, go to the police.” Dat zijn pittige uitspraken door een man die op een houten bank aan de kant van de weg zit. Hij begroet ons hartelijk wanneer hij ons aan ziet komen vanaf de waterkant. De dinghy hebben op het droge bij de plaatselijke vissers achtergelaten. De Fairy Queen en wij zijn onderweg naar Kingston, de hoofdstad van Jamaica. Als ik hem dat vertel, fronst de man zijn wenkbrauwen, waarschuwt ons voor de gevaren van de stad en zegt: “Just be carefull. I want you to be safe.”

De reisgidsen zijn overduidelijk. Kingston is een extreem gevaarlijke stad. Zelfs de locale bevolking gaat alleen naar Kingston als het echt moet. Sommige wijken zijn no-go-area’s. Na half zes ’s avonds als de kantooruren er op zitten is het verstandig om de stad al verlaten te hebben. Maar de Rough Guide zegt ook: but if you use your common sense and don’t flash cash, jewellery or fancy cameras, you’re unlikely to have any problems during the day.”

En ons gezond verstand gebruiken we. We hebben vooraf een duidelijk plan gemaakt van wat we willen zien. De plattegrond van de stad hebben we een beetje in ons hoofd zitten. Zo kunnen we een taxichauffeur duidelijk maken dat we de stad kennen. De absoluut te vermijden wijken weten we. We blijven op de grotere doorgaande wegen en zijstraten laten we links liggen. Een tas heb ik thuis gelaten. Geld hebben John en ik verdeeld. Mijn bankpasje zit niet in mijn portemonnee maar ergens anders. Geen enkel sieraad, zoals eigenlijk altijd, siert mijn hals. En mijn grote fototoestel mag jammer genoeg niet mee.

De geschiedenis van de stad gaat ver terug in de tijd. Ooit het broeinest van piraten met Blauwbaard als bekendste. De naam Kingston is ter ere van de Engelse koning William of Orange (is dat niet ónze Willem van Oranje) gegeven. De armoede in de stad is ook een eeuwenlang probleem. Ontstaan door ophoping van mensen die hun geluk zochten in de stad hopend op werk. In de jaren 60 waren de heersende politieke partijen degene die het geweld aangewakkkerd hebben door wapens te leveren aan hun aanhangers. De bendes van de twee partijen intimideerden en zaaiden angst en verderf onder de anders denkenden. Nu is geld de hoofdoorzaak van de wrede en vaak dodelijke ongeregeldheden. Maar een gezond verstand en een open blik geven ons ervaringen in een stad die met niks te vergelijken is, zeggen ze. En niet te vergeten de oorsprong van de reggae ligt hier in Jamaica. En reggae is Bob Marley. Dat is wat we willen bezoeken. Het museum van Bob Marley.

We hebben geluk. Een routetaxi kan ons alle vier meenemen. Opnieuw worden gewaarschuwd voor het gevaar van Kingston. “Jamaica is such a beautiful country but we make a mess of it. Such a shame.” De negatieve bui van de chauffeur krijgen we niet gekeerd door onze mooie ervaringen in Jamaica te vertellen. Hij blijft in de bui van vroeger-was-alles-beter hangen. De bus naar Kingston staat een beetje aan het eind van Morant Bay. We zijn aan de vroege kant voor deze bus. We hebben alle ruimte en kiezen onze zitplaatsen strategisch. De bus vertrekt namelijk wanneer deze vol is. Aan de open raampjes verschijnen allerlei verkopers met hun waar. Pindakoekjes verpakt in een zakje hangt aan een metalen ring en wordt voor je neus opgehouden. Wanneer je de nieuwe eigenaar bent, trek je een koekje van de ring af zoals je een envelop trekt op de braderie. Even verderop verkoopt iemand patties van Juici Patties met een prijsverhoging van 10 cent. Ondertussen stroomt de bus vol. Alle gewone plaatsen zijn bezet. Maar vertrekken doen we niet. Degenen die als laatste binnen komen, vinden een plek per tweetal op een klapstoel ongeacht de grote van de persoon. In alle rijen zitten 5 personen op een rij stevig vastgeklemd tegen de ander. Mijn hoop is gevestigd op het uitstappen van passagiers onderweg. Dat gebeurt niet. Ik berust me in een lange beklemmende zit.

Ik kijk uit het raam. We rijden de buitenwijken van de stad in. “Zie ik dat nou goed?” Een man staat in een vuilnisbak te graaien. Zijn broek hangt ver voorbij zijn achterwerk. Bij hippe knullen zie je dat vaker. Die pronken met een onderbroek van het een of ander merk. Maar deze man pronkt met heel iets anders. Hij staat ongegeneerd in zijn blote kont! Dit is inderdaad anders dan ik tot nu toe gezien heb. Als de buschauffeur ons verwittigd om uit te stappen staan we in een straat waar de verpaupering vanaf druipt. Ik kijk naar de Fairy Queen. Zij zijn al een keer eerder in Kingston geweest en knikken dat dit de plek is om uit te stappen. Ik verwacht een busstation of iets dat daar op lijkt. Niet dit!  Geen andere bus te bekennen. We lopen naar het kruispunt om een taxi aan te houden. De eersten die we aan willen houden zitten vol. We steken over en direct stopt er een lege taxi. “We willen naar het Bob Marley Museum.” De man knikt. We kunnen instappen. Maar dat doen we niet voordat we weten hoeveel het ons gaat kosten. “800,”zegt de chauffeur. Dat klinkt redelijk. We stappen in en raken aan de praat. Ons onderwerp is natuurlijk Bob Marley. De man zet zijn auto aan de kant, wisselt de cd en even later schalt de stem van Bob Marley uit de speakers. Wij zingen enthousiast mee; Don’t worry about a thing…” De dag is nu al leuk. “Have you seen the statue of Bob Marley?” “No,”zeggen we bijna alle 4 tegelijkertijd. De man stopt daarna bij het standbeeld. Bob Marley staat in zijn overbekende spijkerbloes en met gitaar op een sokkel. Het ziet er wit van de toeristen. We piepen voor en onze vriendelijke chauffeur maakt een foto, eh filmpje, van ons vieren om ons vervolgens bij het museum af te zetten. Verwonderd over zijn alleraardigste acties, betalen wij de man.

Ik kocht van eerste LP van Bob Marley in Joegoslavië waar ze zoveel goedkoper waren dan in Nederland. Zijn album Legend heb ik grijs gedraaid. In heel de Carieb was zijn muziek te horen. En nu sta ik vlak voor zijn voormalig huis.

De tour door het museum is net een sing-a-long-event. Bij elke gelegenheid zet de gids een lied van Bob Marley in en wij zingen vrolijk mee. Talloze gouden en platina platen sieren de muren. Ook zijn kleding ontbreekt niet. De studio is klein waar mengpanelen de grootste opvullers van de ruimte zijn. De akoestiek is geperfectioneerd door delen van het hout op de muren weg te gutsen. De keuken is eenvoudig evenals zijn slaap- en badkamer. Op de veranda hangt een hangmat met uitzicht op een tekening van Zion. De heilige plaats van de Rastafari. Hier kom ik erachter dat hij een blanke vader heeft, 14 kinderen heeft gekregen, een aanslag heeft overleefd, heel veel joints heeft gerookt, op de fiets door de stad reed om zijn nieuwe LP aan de man te brengen, als Rastafari niet stemt en veel te jong aan kanker overleden is. Of zat de CIA of FBI achter zijn aanslag?  Bob Marley is succesvol geworden in de tijd dat de politieke onlusten het grootst zijn in de jaren 70 en 80. Tijdens zijn ‘one love’-concert heeft hij de twee politieke rivalen op het podium gekregen. Hand in hand staan ze gedrieën naast elkaar. Twee jaar lang is het daarna rustig geweest in de wijken van Kingstown. Wat een invloed. De beelden zijn historisch. Hoewel ik ze niet eerder gezien heb, blijven ze nu op mijn op netvlies staan. Helaas mogen we binnen geen foto’s maken.

Na het museum lopen we in Uptown naar Half Way Tree. De wegen zijn breed en druk met auto’s. De taxichauffeur verzekerde ons dat we hier veilig kunnen rondlopen. We lopen langs het huis van de premier en het regeringsgebouw. Beiden zijn voor ons onbereikbaar. Iets verderop lopen we langs het Devonshouse. Het huis van de eerste miljonair in de Carieb. Het is een onvoorstelbaar groot huis. Nu is het een exclusief restaurant. In Half Way Tree zijn verschillende shopping malls. De wijk brengt me niet in beroering. We gaan dan ook gauw naar Orangestreet Downtown. De eerste taxichauffeur die voor ons stopt, wil ons daar wel naar toe brengen maar vraagt 1500. Das te veel. Bij een taxistandplaats schreeuwen ze ons tegemoet. “Where are you going. Orangestreet that’s 1500.” Ook hier vragen ze teveel. Ze dalen naar 1200 maar ook dat doen we niet. Iets verderop wenkt een chauffeur. We lopen naar hem toe. Hij wil ons brengen voor 1000. Het is zoals in elk stad rond vieren druk. Het verkeer loopt aardig vast. De chauffeur zegt dat hij een andere route gaat nemen en slaat af.  “Wat doet hij? Waar gaan we heen? Brengt hij ons waar we willen zijn?” Mijn argwaan is voor niks. Keurig zet hij ons af op de plek waar de bussen ons naar Morant Bay terug zullen brengen. Deze wijk is andere koek. De straten zijn vol: scholieren, studenten, verkopers, kopers, mensen van verschillend pluimage en wij. Wij zijn opvallend wit aanwezig. De enige blanken. De gebouwen dateren uit betere tijden. Orangestreet is een bedrijvige winkelstraat. De vrij brede straat is door de hoeveelheid op de grond liggende marktkraampjes een kruip door sluip door route geworden. Overal zit, staat of hangt een winkeltje. Kleding wordt voor een habbekrats van de hand gedaan met het prijskaartje van H&M er nog aan. Slippers en slipjes worden in overvloed aangeboden. Ik struikel er bijna over. Het liefst was ik hier ergens gaan zitten op een plekje onopvallend achteraf. Om te kijken. Gewoon kijken, observeren en fotograferen. Het lukt me om stiekem 1 foto te maken. Er is zoveel te zien. Er gebeurt zoveel. Een man staat op een grote blauwe ton heen en weer te wiegen en schreeuwt als een echte koopman zijn keel schor. Mensen die langs lopen, laten zien wat ze koop hebben en lopen weer door als ik aangeef niet geïnteresseerd te zijn. Er liggen mensen languit half slapend op de grond bij hun waar. Anderen kletsen gezellig met zijn tweetjes alsof ze bij elkaar op de thee zijn omringd door BH’s. Muziek schettert hard uit boxen. De wereld in downtown is snel. Of ben ik langzaam omdat er zoveel te verwerken is. Wij zijn direct te herkennen en steken boven de mensenmassa’s uit. Een aantal keer worden we geroepen om in de bus te stappen naar Morant Bay. “Are you ready,” vraagt de bijrijder van de bus van vanmorgen die ons herkent. “No, not yet.” Wat een wereld. Een bus later die ons eruit gepikt heeft, nemen we wel. En dat is maar goed ook. Want bij de opstapplaats is het dringen. Heel veel scholieren willen allemaal de bus in. De bijrijder laat hen goed weten wie de baas is. Snel en streng doseert hij ze naar een plek. John zit eerst nog ergens achterin maar wordt door de schoolmeisjes naar voren geduwd. Even later zit op diezelfde plek 3 jongens van hun eigen leeftijd. De scholieren mogen voor half geld mee. Dat betekent dat de bus twee keer het aantal passagiers meeneemt. We tellen 7 op een rij! En allemaal blijven ze al lachend en joelend zitten of staan tot Morant Bay.

“Wat een verrijkend en rijk leven hebben wij,”verzucht ik als ik ’s avonds mijn hoofd op mijn kussen leg.

“My richness is my life”

-Bob Marley-

6 gedachtes aan “Kingston

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *