RHAPSODY

flores

Tegen de ochtend gloren er goudgele bergen aan de horizon. Na honderden mijlen afwisselend zeilend en motorend afgelegd te hebben zien we land. Flores. De zon doet er zo ’s morgens vroeg nog een schepje bovenop. Gortdroge bergflanken worden een voor een aangelicht. Gloedvol goud weerkaatst in het water. Zo verrassend anders. Aan het strand zie ik palmbomen en ander groen. Daartussen her en der verspreid een paar huisjes. Meer niet. Tussen wal en ons schip ligt een groot meerboeien veld. Sommige bezet. Anderen wachten verwachtingsvol op de terugkeer van de eigenaar. Het zijn vissers die ’s nachts uitvaren. Ze kleuren de hemel wit met hun felle lampen om kleine inktvisjes aan te trekken. Ons stoten ze juist af met hun felle licht. Net achter het veld nestelen we ons vlakbij de vervallen pier.

Zodra we rustig dobberen begint de parade. Vissers zijn klaar met hun nachtelijke activiteit en komen terug naar hun thuisbasis. De boten, Bagans, zijn ware kunststukjes. Een vernuft systeem houdt een platform om de smalle boot heen op zijn plaats. In de kleuren blauw of roze komen ze enthousiast zwaaiend voorbij. Waarschijnlijk hebben ze die verf goedkoop op de kop getikt.

Via de achterdeur zijn we Flores binnengekomen. Hier zijn we een welkome afleiding. De dagelijkse beslommeringen van de bewoners van het dorpje worden even vergeten en liggen stil.

De school is net uit. Kinderen lopen met ons mee en kletsen mijn oren van mijn kop. Ze gaan lunchen. Witte rijst met wit water. “Wit water? Ah,susu, melk” Wanneer ik zeg dat we nasi goreng in het restaurantje gaan eten, knikken ze waarderend. “Yammie!”zeg ik. “Yammie herhalen ze lachend. Kleine toko’s aan huis verkopen snoep en zoete limonade aan de kinderen.

Soms ook groente uit eigen tuin. Volwassenen gaan maar wat graag met ons op de foto. Scooters met jonge jongens stoppen voor een praatje. “Where are you going?” Het dorp is overduidelijk een vissersdorp. Overal liggen kleine visjes te drogen, op netten net boven de grond.

Op tournee

De rugzak staat bol van de spullen en klaar om mee te gaan. Ik controleer of alles goed afgesloten is. Een nachtje zal Rhapsody alleen blijven en moet ze het in haar eentje redden. We vertrouwen de plek en gaan twee dagen op tournee. Twee dagen verkennen we een deel van het eiland Flores. We stappen in ons bijbootje. “Netjes blijven liggen,” roep ik naar Rhapsody terwijl we wegvaren. Ze is namelijk een keer in haar eentje aan de wandel geweest. Bij terugkomst vonden haar toen op een ander plek terug. Hier zou ze open zee kiezen.

Bij de pier binden we met twee lijnen het bijbootje vast om te voorkomen dat ze tegen de begroeide scherpe houten palen aankomt. De pier is behoorlijk lang. Flinke stukken zijn weggeslagen door de golven. Via stapstenen komen we aan wal.

“Hallo. Welcome to my island” Een vrolijke jonge man staat ons op te wachten. De jongeman is Donny. Hij is onze chauffeur en gids voor de komende twee dagen. Voor Donny zijn we de tweede groep die hij op pad neemt. Hij is namelijk sinds kort een zelfbenoemde gids in het weekend. Doordeweeks werkt hij bij een bank. Duolingo houdt ons aan de praat. Hij heeft daarmee Engels geleerd en ik Indonesisch. Toch schieten we regelmatig hopeloos te kort en dan biedt Google Translate uitkomst. Ik vind het heerlijk om in de auto te zitten en het landschap te bekijken.

Het kustgebied is zoals gezegd gortdroog. Goudgele grassen en dorre lege rijstvelden. Hier en daar een buffel. De weg is versleten en uitgesleten door grote hoeveelheden water tijdens regeltijd. Regelmatig stapt Donny om de ‘Surprise road’ zoals hij het noemt, nader te inspecteren voordat hij verder rijdt. We hadden hier echt nooit gereden als we zelf een auto hadden gehuurd. Zodra we de bergkam over zijn, wordt het landschap opvallend groen. De weg verandert van stoffig geel naar zwart asfalt. We slingeren door dorpjes en groene rijstvelden.

Geoogst rijst ligt langs de weg te drogen. Zakjes vol kroepoek worden aan de weg te koop aangeboden. Telkens als ik iets zie of zeg, stopt Danny zodat we kunnen kijken. Als we een markt vol met verse groente tegenkomen, kunnen we het niet laten om wat mee te nemen. Donny is trots op zijn eiland en via hem krijgen we veel van de lokale gebruiken te zien zoals heet water baden uit natuurlijke bronnen. “Goed voor je huid,” zegt hij erbij. Lang blijf ik niet zitten. Veel te heet.

wologai

Daarna draaien we de weg af naar het traditioneel dorp Wologai. Hier heb ik erg naar uitgekeken. We betalen bij de ingang en krijgen een traditionele sarong om. Prachtig met de hand geweven stof. De huizen zijn volgens eeuwenoude tradities en overleveringen in elkaar gezet. Geen spijker of schroef zijn gebruikt. Het dorp is niet zo groot. Een tiental huisjes staan om een heilig midden gepositioneerd. Ik ben benieuwd hoe het van binnen eruit ziet. Helaas alle huizen zijn dicht.

Een oude vrouw verkoopt op haar veranda koffie, kruidnagels en noten. Alle oogsten zijn van hier. Ik heb het kleedje vol koffiebonen en kruidnagelbloemen zien liggen. Ik koop een zakje kemirinoten. John wil deze graag gebruiken in de Indonesische gerechten. Met het kopen hoop ik iets van de binnenkant van het huis te zien. Ik kom bedrogen uit want ook hier zit de deur in het slot. Dan spreekt een vrouw even verderop ons aan. “Of jullie bij haar willen komen eten,”legt Donny uit. Mijn nieuwsgierigheid is misschien wel groter dan mijn hongergevoel. “Ja graag.” We stappen via een lage deur het huis binnen. Het is verbazend koel binnen. Het hoge dak zal daar debet aan zijn.

De vrouw is vereerd met ons bezoek. We nemen naast haar op de houten vloer plaats. Een grote pan staat op het houtvuur. “Rode rijst,”legt ze uit. Terwijl ze kookt, kom ik ogen tekort. Ik zit vol vragen waarbij Donny onze tolk is. De grote ruimte is verdeeld in een slaapkamergedeelte en een zitgedeelte met 2 vuurplaatsen. Aan de zijkant is een open keuken. Een tweetal ramen zorgen voor mooi lichtinval. Die keuken is goed met spullen voorzien.

Voornamelijk bekers, borden en bestek. Voor de rest zie ik maar weinig. Geen tafel. Geen stoelen. Een enkele foto. Ook geen kasten waar kleding in opgeborgen kan worden. Ik durf echter niet achter het gordijn in de slaapkamer te kijken. Bovenop het verlaagde plafond van de veranda ligt stookhout en wat manden. De vrouw heeft zo weinig bezittingen. Alleen het hoognodige. Het is om stil van te worden. De maaltijd die de vrouw serveert is eenvoudig. Een grote bord rode rijst met een paar kleine gebakken vis en verse thee. Alle uitleg die de vrouw over haar leven heeft gegeven, geeft extra smaak aan het eten. We smullen. De tocht voert verder naar een hippieachtig plaatsje Moni waar we overnachten.

kelimutumeren

Flores maakt deel uit van de ring van vuur. Verschillende vulkanen hebben het eiland gevormd. Een is zelfs heel actief op het moment. Vandaag gaan we de drie bijzondere kratermeren van Kelimutu bezoeken. ’s Ochtends voor dag en dauw staan we op. Ik stap dit keer achterin naast John. Ik wil nog wat tukken nu het toch nog donker is. Vrijwel direct val ik in slaap. De auto slingert naar de vulkaan maar dat merk ik pas als we weer naar beneden gaan. De zonsopkomst zou het mooiste moment zijn om de meren te bewonderen. Vandaag heeft de zon moeite om het grijze deken van zich af te slaan. Dikke wolken van mist houdt hardnekkig stand. Donny heeft gelukkig verteld dat we een warme trui mee moesten nemen. Dat was zeker niet overbodig. Elke stap die ik via de traptreden naar boven zet wordt het kouder.

Af en toe brandt de zon een gat in de wolken waardoor de meren haar kleuren krijgen. De ene zwart. De twee andere licht en donkerblauw. Het is prachtig.

Het is overigens echt ongelooflijk koud. Voor het eerst sinds een lange tijd sta ik te klappertanden. Om aan het snijden van de venijnige wind te ontsnappen, schuil ik achter het monument Mijn gezicht vertrekt van de kou. Een lach op de foto wil nauwelijks lukken. Mijn gezichtsspieren zijn te stijf. We blijven lang in de hoop dat de zon wint.

Uit de luidspeakers klinkt heerlijke reggae muziek als we weer op weg zijn. Het is een liedje over Flores. “Welcome to my island,” hoor ik en zing het deuntje al snel met Donny mee. Terloops nodigt hij ons, namens zijn moeder, uit om bij hem thuis in de stad Ende te eten. Dat aanbod slaan we natuurlijk niet af. Voor een tweede keer zullen we authentiek Indonesisch eten.

Als we bij zijn moeder thuis komen, worden we hartverwarmend ontvangen. Een neefje roept vol bewondering ‘bulee’ dat zoiets als blanke betekent. Kennelijk ziet hij onze kleur huid zelden. Donny’s moeder is verrukt wanneer ze merkt dat ik Indonesich spreek. Althans tracht te spreken. Het eten is heerlijk. Gegrilde vis, gele vissoep, natuurlijk witte rijst gemarineerde vis met zelfgemaakte sambalsaus. Ik vraag naar het recept en als ik niet alles begrijp, komt Donny’s tante met de producten uit de keuken. Een voor een laat ze de ingrediënten zien en benoemt ze. Veel te snel nemen we afscheid van deze lieve hartelijke mensen. We voelden ons zo welkom. Het blijft bijzonder om zomaar in het leven van vreemden te stappen en me zo thuis te voelen.

De terugweg is nog een lange rit. Langs de zuidkust met mintgroene grind stenen, Via slingerende wegen door heuvelachtige bergen met kleine dorpjes, frisgroene rijstvelden en op zondag de traditionele kledij. Producten liggen te drogen langs de weg. Er is zoveel te zien. Donny slingert over de bergketen heen naar onze baai. Uit de geluidsinstallatie van auto klinkt knal hard ‘country roads take me home’. Donny houdt van deze wegen en dit nummer dus brullen we luidkeels en voor de zoveelste keer mee met John Denver. Dan stopt Donny. We stappen uit. Voor ons zien we onze baai. In de verte, piepklein, zien we een vreemde mast tussen de vele gelijkende. Het is de onze. Rhapsody ligt er nog.

Modderspetters

“Buffels!” roept John plots vanaf de achter de bank. “Stop?” vraagt Donny. “Ja,” roepen wij. In een modderige waterpoel naast de weg liggen een tiental buffels af te koelen. Grote engerds en lieve kalfjes. Zenuwachtig gesnuif klinkt zodra ze ons opmerken. Angstige ogen kijken nauwlettend naar ons. Dan als we ons blijkbaar iets te dichtbij bevinden, raakt de grootste in paniek en staat vol bombarie op. Nu kijk ik met angstige ogen naar het kolossale dier. Op een drafje verlaat hij de groep. Nu de grootste zijn rug naar de groep heeft gekeerd, spoeden de anderen erachteraan. In een paar tellen is de hele groep in beweging. Poten klauwen zich in de modder op zoek naar harde ondergrond. Glibberend en glijdend in de modder lukt het ze om op te staan. Snel zet ik een paar stappen achteruit niet wetende welke kant ze op gaan. Donny maant me om rustig te blijven staan. Tot mijn opluchting rennen ze richting de droge rijstvelden en niet naar mij. Daar vinden ze hun rust snel terug. Ik ook wanneer ik weer veilig in de auto zit.

Donny heeft vlak voor het einde nog een verrassing. Nu er in de droge tijd geen rijst te verbouwen valt, doet men aan zoutwinning. Dat wil hij graag aan ons laten zien. De zoutfabriek noemt hij het. Eenmaal ter plaatse zie ik kleine kaveltjes gevuld met zoutwater en bergjes zout. Mensen scheppen grote schoppen zout in kruiwagens. Kleine krakkemikkige schuurtjes doen dienst als opslagplaatsen. Niks fabriek maar zwaar handwerk. Langs de weg zijn grote zakken zout te koop. Pas aan het einde van de middag zijn we terug in ons dorpje. Donny glundert trots als we hem bedanken voor de afgelopen dagen. Hoewel we een aantal keer zeggen dat hij niet helemaal mee hoeft te lopen doet hij het toch. Hij kijkt ons net zolang na tot we aan boord gestapt zijn. En ik blijf zwaaien.

Labuan Bajo

We zeilen in dagtochten verder langs de kust van Flores. We blijven overal 1 nachtje en zijn op weg naar de hoofdstad Labuan Bajo. De voordeur van het eiland. Hier kunnen we weer verse groente halen voor onze verdere expeditie van Flores en met name de Komodo eilanden. We vergapen ons aan een groot houten zeilschip dat ons inhaalt. Gauw pak ik mijn camera om dit vast te leggen. Een half uur later is er geen sprake meer van een unieke boot. De baai waar we invaren ligt vol met deze boten. John zoekt een plekje in het hart van de stad. Maar het hart ligt overvol. Tientallen schepen liggen aan grote meerboeien tussen het grote eiland Flores en een kleiner ervoor. We laveren overal tussendoor. Op zeil. Nu we eindelijk wind hebben wil John blijven zeilen. Op mijn voorzichtige opmerking om toch maar de zeilen te strijken, zegt zijn blik mij genoeg. “Het gaat toch goed.” Personeel van de schepen komen verschrikt of vol bewondering naar buiten. Als we veilig voorbij zijn, zwaaien ze. Van opluchting denk ik. Uiteindelijk eindigen we aan het einde van de stad. Keurig achter al die prachtige houten ‘live-a-board-boten’ aangesloten. Boten om toeristen voor een paar dagen rond te varen.

Labuan Bajo is een toeristisch plaatsje. Naast elk restaurantje zit een boekingskantoortje voor allerhande toertjes naar de komodo-eilanden. Daartussen scooterverhuurders, ijswinkeltjes, geldautomaten, supermarkten, wasserettes en souvenirwinkels. Kortom drukte en levendigheid. Veel toeristen dat ook maar het heeft een gemoedelijk sfeer. Een groot voordeel van de westerse invloed is dat we weer kaas kunnen kopen. We komen hier ook voor diesel want wind waait er amper. Helaas is het station uitverkocht en moeten we een paar dagen wachten. Op de pier liggen talloze zakken afval van de grote boten. Hopelijk worden ze op tijd weggehaald voordat de wind er vat op heeft gekregen. Ons afval gooien we braaf weg in een prullenbak.

Van de 10 woorden onthoud ik er één. Inmiddels heb ik meer dan 750 woorden Indonesisch geleerd. Dus heb ik er 75 paraat. Weinig. Ik geef het toe maar het is meer dan niks. Net buiten de drukke winkelstraat zitten een drietal dames op een veranda heerlijk in de wind en in de schaduw. Voor hen liggen stapeltjes groente. Tomaten, komkommers en meer. Wij zijn op zoek naar de markt en komen deze gezelliggers tegen. De verkoop lijkt bijzaak. Ik vraag hoe duur de tomaten zijn. De vrouw begint te lachen. Ze verbaast zich dat een toerist groente wil en haar aanspreekt in haar eigen taal. Giechelend spreekt de ander mij aan. “Di mana dari?” mijn brein moet dat even verwerken. “Ach, natuurlijk ze wil weten waar we vandaan komen. “Blanda,” zeg ik enthousiast met onze prahu, onze boot. Ze knikt verwonderd maar laat het er verder bij zitten. Ondertussen koop ik tomaat en komkommer bij de één en een laoswortel bij de ander. Het was nog een heel gedoe om uit te vinden of het echt laos is. Blijkt onze Nederlandse naam hetzelfde als de Indonesische maar gebruikt ze de Engelse benaming. “Lekker door de nasi goreng.” opper ik. Daarop reageert de derde vrouw en ze houd een bosje lente-uitjes vast. “Voor de nasi goreng,”zegt ze erbij. Ik lach en kijk John aan. “Lekker,” zegt hij. “Ik heb nog een restje rijst.” Ik maak een afspraak voor de volgende dag om nog meer te halen. “Sampai jumpai. Tot morgen.” Lachend krijg ik het terug maar helaas de andere dag zijn de vrolijke dames er niet.

komodo nationaal park

Links, rechts, voor en achter ons zijn boten. Grote houten schepen. De een nog mooier dan de ander. Wij zeilen gelukkig in dezelfde richting. Van of naar de stad. Daar waar nieuwe opvarenden opgepikt zullen worden voor een rondje Komodo eilanden. Wij gaan natuurlijk met ons eigen boot.

In de baai van het Komodo Nationaal Park bij het eiland Rinka houden we stil. We bevinden ons niet ver bij de drijvende steiger en liggen er alleen. Nog geen half uur later en het kommetje ligt helemaal vol met houten longboats. Veel te dichtbij. Rhapsody weert zich kranig en vele handen houden de boten af.

Na half 5 is er op ons na niemand meer. Het kommetje is leeg. Geen geronk van motoren. Geen gepruttel van generatoren. Geen luide muziek. Volledig stil. Op het strandje lopen bruine apen en in de lucht cirkelt een roofvogel. Op onze mast zit een kraai een vrolijk deuntje te zingen. De rangers vissen op de steiger. We roeien naar de kant om de benen te strekken. Ik vergaap me aan de grote van het standbeeld. ‘Zijn ze echt zo groot?” vraag ik me ontsteld af. Ik ben reuze benieuwd naar de draken. Morgenochtend vroeg, nog voor de toeristenstroom opgang komt, staan wij paraat om de draken te bekijken; De beroemde Komodovaranen van Flores.

“From the sailing boot?” De man achter de toonbank kijkt ons met bewondering aan. “Ja.”zeg ik. Als hij hoort dat we helemaal uit Nederland komen is hij verbouwereerd. Het helpt overigens niet om de contributie voor de boot achterwege te laten. Keurig betalen voor onszelf, de gidsen en de boot. Er volgt een heuse briefing. Daarna mogen we alleen op pad. Dat pad is verhoogd zodat de draken ongestoord kunnen struinen op het eiland, hun territorium. “Daar.” John heeft de eerste gespot. Een kleintje. Nog maar anderhalve meter lang. Log en heupwiegend loopt het voorbij. Het is nog vroeg in de ochtend. Toch is de warmte van de zon al duidelijk voelbaar. Nu het nog betrekkelijk koel is, is het tijd voor de dieren om te verkassen naar een schaduwplekje gedurende de dag. Dit tijdstip geeft daardoor de meeste kans om ze te spotten. In het zand zijn sporen achtergelaten. Grote pootafdrukken met ertussen een lange streep. Nietsvermoedend loop ik naar onze gids achter een hek. Wanneer ik het hek door ben, let ik niet op. Ik struikel bijna over een komodo om vervolgens naar een andere toe te stappen. Ik had ze niet hier verwacht. De draken liggen in de schaduw bij de keuken. Afgekomen op de geur én voedsel dat ze ongetwijfeld toegestopt krijgen. De gids vertelt dat de draken één keer per maand eten. Je weet echt er nooit wanneer dat precies is geweest.

Dus deze beesten hier in ruste kunnen ineens trek krijgen, denk ik bevreesd. De man draagt enkel een stok als wapen. Niet echt geruststellend. De gids dirigeert ons tussen de draken door. Nu ik weet waar ik naar kijken moet, zie ik er steeds meer en kijk ik goed uit waar ik mijn stappen zet.

Oerbeesten zijn. Geschubde stugge huid. Grote klauwen met messcherpe lange nagels. Rennen heeft geen zin. Zij zijn sneller. In een boom klimmen? Zij zijn vaardiger. We maken foto’s van dichtbij maar ver genoeg af. Komodo’s zijn een van de gevaarlijkste dieren. Hun naar achter staande zaagtanden en speeksel vol bacteriën en gifklieren bezorgen de prooien een langzame dood. Rottend vlees is een delicatesse voor een komodo. Aan de draak met zijn kop heerlijk soezend op zijn voorpoot is dat gevaar niet af te lezen. Een tentoongesteld drakenskelet in het museum laat niets aan de verbeelding over. De kop is werkelijk afschrikwekkend.

We hebben echt geluk. Zelfs op de terugweg zien we de dieren lopen. Zelfs een achter ons op het verhoogde pad die zich, gelukkig, snel uit de voeten maakt.

“Dit gaat hem niet worden,” roept John uit. De tegenstroom is fors toegenomen. Vooral wanneer we tussen twee eilanden door willen zeilen naar een nieuwe ankerplek. Vol zeil, voldoende wind en we komen er niet tegen in. De motor draait ook al. In plaats van oplopen van de snelheid, neemt de snelheid af. Tot mijn verbazing zeilen we zelfs achteruit. De stuurautomaat probeert uit alle macht de geplande route te volgen. Daardoor gaan we dwars door het water en uiteindelijk dus achteruit. Dit was niet zo handig gepland. We zijn vanmorgen te laat weggegaan waardoor we sterke stroom tegen hebben. We breken onze poging af en zoeken een nieuw ankerplek uit. Anderhalve mijl verder dan waar we vanmorgen begonnen zijn. En dat na 2,5 uur varen. Morgenvroeg gaan we het maar weer opnieuw proberen. Dit keer met de stroming mee. De overige komodo-eilanden liggen er dan ook nog wel.

‘Welcome to my island and spend your summertime on my beautiful island Flores’

Maumere Of Flores band

ps: nieuwsgierig naar het vrolijke lied? klik dan op de naam van de band.

5 gedachtes aan “flores

  1. Tante Nel

    Wat een prachtige foto,s
    en vol belevenissen
    Geweldig
    Ja wij verlangen elk jaar toch weer naar deze lieve mensen ,
    er zijn duidelijke overeenkomsten
    Wat is de wereld toch mooi

    1. Ada Auteur van bericht

      De wereld is zeker mooi en we moeten vooral niet vergeten dat de meeste mensen deugen…

  2. Marinka

    Zo genieten om je verhalen over jullie avonturen te lezen! De meeste plekken die wij nooit hebben gezien, maar komodo en labuan bajo zijn we wel geweest! Leuk om te lezen hoe het nu is. Toen wij er waren was er nog geen kaas te koop.