Ik heb het al eerder gezegd. Rijden door Namibië is activiteit nummer 1. Wie door het landschap sjeest van het ene naar het andere mist de schoonheid. Dat hebben we in het Etosha park gemerkt. Onrustig worden we ingehaald door anderen die vinden dat we te langzaam rijden. De een noemt het tijd verspillen. De ander leeft in het moment. Waar wij gerust een uur stilstaan om gewoon te zien wat er is, zijn anderen na een paar minuten uitgekeken en missen ze van alles. De tijd nemen, voelen wat is en verder kijken dan de struik net naast je, brengt je naar de mooiste momenten.


Op de heenweg deden we er een dag over. Bewust om snel in Etosha te zijn. Voor de terugweg kiezen we een andere route over onverharde wegen. Dat brengt het tempo aanzienlijk omlaag. We kiezen, volgens ons, de mooiste stops uit. Daartussen zitten ook niet geplande en onverwachtse bij. “Hey, mmm, stop!” stamel ik. Ik kom niet uit mijn woorden en wijs hysterisch naast me. John remt langzaam af. Hij is inmiddels gewend aan mijn woorden gestuntel. “Zebra’s! Nee, giraffen!” weet ik eindelijk uit te brengen. Zomaar buiten het park zien we deze majestueuze dieren. Lange nekken steken boven de struiken uit. Ik tel er wel veertien. We stoppen, zetten de auto aan de kant en drinken thee en koffie terwijl we genieten van ons uitzicht.

Met een beetje hulp van anderen zien we daarna ook de beroemde woestijnolifanten. Iets verder van de weg en ondanks hun enorme grootte, moeilijker te spotten. Zij zijn helemaal aangepast aan de barre omstandigheden. Kleiner maar met hoge poten. Zo hebben ze minder voedsel nodig en kunnen ze verder lopen.




Soms denk ik, het kan niet nog mooier maar de Grootbergpas is na elke bocht opnieuw indrukwekkend. De hele route naar Spitzkoppe wordt van de ene verbazing in de andere aan elkaar geregen. We merken, hoewel het heel rustig is, dat hier veel vakantiegangers rijden. Overal kraampjes. Soms niet meer dan een stoel en een honestybox. Meestal zijn het vrouwen van verschillende etnische afkomst die ons met armgebaren verleiden om vooral wat te kopen of in ieder geval te komen kijken. Kinderen vragen om water. Namen als Twijfelfontein, Brandberg en Houmoed op borden onderweg klinken zowel vreemd als bekend in onze oren. Namen die veelal de hoedanigheid van het gebied beschrijven toen men het ontdekte.

Tijdens onze eerste reis reden we veelal langs de bergen van losliggende rotsen. Zo gestapeld alsof reuzen het veld hebben opgeschoond door alle rotsen en keien te verzamelen en op een hoop te gooien. Nu wandelen we er en slapen we er.





Bij Twijfelfontein leren we dat zo’n stenen heuvel ooit een goede plek was om te wonen. Het geeft schaduw, uitzicht, overzicht en vooral een mogelijkheid om te kunnen vluchten bij gevaar van wilde dieren. We bezoeken een levend museum dorp van de Damara. Men leefde in kleine gemeenschappen. Bij dertig inwoners splitste de groep zich op en ging uit elkaar. Zo had men de grootste overlevingskans. Twijfelfontein is vooral beroemd vanwege de duizenden jaren oude graveringen in de rotsen. Deze kunnen we niet links laten liggen dus slaan we rechtsaf en bewonderen tussen alle anderen de beroemde witte leeuw met een hand als pluim aan zijn staart.

Brandberg is de hoogste berg van Namibië. Van ver is deze te zien. Eenzaam en alleen staat ze in het verder vrij vlakke landschap. Vrijwel helemaal rond.

Ze herbergt duizenden eeuwenoude tekeningen. Jachttaferelen, educatieve en informatieve tableaus. Verhalen waar water is, welke dieren er zijn en heel belangrijk welke sporen ze achterlaten zodat je ze kunt vinden. Een argeloze archeoloog heeft ooit een sjamaan ten onrechte de white lady genoemd omdat het getekende figuur witte benen heeft. Hij vergat daarbij dat het bovenlichaam zwart gekleurd is met een pijl en boog. Iets wat alleen mannelijke jagers bij zich droegen “Hoe kun hij zich zo vergissen,” denk ik nuchter. “Waarom geen naamsverandering?” vraag ik de gids. “Tja , het staat nou eenmaal bekend als de white lady.”




Het pad naar de tekeningen is ruig. Toevallig lopen we samen met een groepje vogelaars. De gids heeft er wel oren naar. Vogelgeluiden zijn hier volop te horen. We staan dan ook voortdurend stil zodat we ze kunnen spotten. De gids wijst zelf een vogelnestje aan op de grond. Beeld en geluid komen zo samen. Er staat water in de vallei. Ongewoon. Na zo’n vier jaar heeft het eindelijk weer flink geregend. Overal zijn kikkervisjes en bloemen bloeien uitbundig.
In Uis hopen we op verse boodschappen. Uis is een mijnstadje. Daar moet wel iets te koop zijn. Winkels zijn echt schaars. Alleen kleine lokale winkeltjes in dorpjes van amper een paar huizen groot. Het aanbod in die winkels is zo niet nog schaarser. “De vrachtwagen komt morgen,” zeggen ze dan. Gelukkig hebben we best goed in geslagen bij vertrek want ook hier in Uis kunnen we niets krijgen. De winkel is namelijk gesloten vanwege een feestdag. We zijn net een half uur te laat. We pakken een uitgebreide lunch bij het gezellige restaurantje dat vermoedelijk in elke reisgids beschreven staat. Het zit vol met reizigers. De patat is goed. De burgers ook. Voldaan zetten we onze reis voort naar Spitzkoppe.

Spitzkoppe, een populaire plaats, heb ik van te voren niet kunnen boeken. Op hoop van zegen hebben ze een plekje. Vol goede moed loop ik naar de receptie. “Ja, dat hebben we.” zegt ze tot mijn opluchting. Opgetogen loop ik naar de auto terug. “We mogen gaan staan waar we willen.” Elk nummer waar we langsrijden is tot nu toe al bezet. Waar we ook komen. Johns humeur hangt als een zware onweersbui boven zijn hoofd. Het is snikheet en bedrukt in de auto doordat de airco het begeven heeft. De ventilator brengt verkoeling maar vooral fijn stofzand naar binnen. Die gaat weer uit. Open ramen dan maar. Het duurt niet lang meer of zijn bui zal losbarsten. Eindelijk vinden we een plek dat leeg is. Leeg is ook echt leeg. Geen schaduw, geen braai, een groot stinkend toiletgebouwtje verderop en een leeg landschap voor ons. Niks romantisch aan. Niks moois aan in een gebied dat als supermooi omschreven wordt. We hebben van vandaag spontaan een langere rijdag gemaakt zodat we hier ’s middags al zouden aankomen en 2 nachten kunnen blijven. Een kleine twee uur rijden werden drie lange. Dat eist nu zijn tol. Tegen beter weten in stappen we uit. Vrijwel direct zitten vliegen in en om onze ogen en neusgaten. John is het spetterzat; de eerste druppels vallen. “Dit is niks.” Ik doe mijn best om uit zijn bui te blijven maar merk dat ik het ook zat ben. We rijden door. We stoppen en zetten de wagen stil onder een boom. “Ze delen die wc maar. Ik ga niet meer verder,” roep ik naar John terwijl ik uitstap om aan anderen te vragen hoe het werkt. Er is zoveel ruimte en zo weinig nummers. “Zet de auto maar neer hoor,” is het antwoord. “De wc is daar.” De dreigende donderbui is bijna verdwenen tot de eerste welverdiende slok bier. John briest het uit. “ Getver. Dit is zoete appelcider!” Het biermerk van de laatste twee blikjes uit het dorpswinkeltje brouwt dat blijkbaar ook. Aangelengd met wat water en een schijfje citroen is het te doen. Voor mij dan.

Uiteindelijk staan we op een supermooie plek. Vlak onder de grote Spitzkoppe zelf. En vanaf een op loopafstand gelegen gestapelde stenen heuvel kunnen we de zonsondergang zien. Niet zo ver naast ons zitten een Portugees en Libanese. Ze luisteren naar klassiek muziek. Wij dus ook. Wonderbaarlijk mooi getimed, stopt het stuk precies als de zon onder is.






Het is inmiddels donker wanneer we gaan eten; blikvoer. Witte bonen met Chakala-saus en de laatste tomaten. De volgende dag genieten we vanuit de tent van de zonsopkomst nadat we door neushoornvogels gewekt zijn.

Niet te lang want we willen naar de beroemde natuurlijk gevormde boog. Juist vroeg in de ochtend is deze op zijn mooist. Geen tijd te verspillen dus. We reserveren met onze campingstoelen eerst onze nieuwe kampeerplek voor de avond met een vuurplaats. Onze zak hout moet op.

De boog, Rock Arch, is een prachtig staaltje natuurarchitectuur. Miljoenen jaren van erosie heeft deze rotsformatie gecreëerd. Het is klimmen en klauteren. De beloning is groot. Het goudgele licht kleurt de granietrotsen zacht oranje.





Op de achtergrond een imponerende bergpartij en een blauwe lucht die perfect afsteekt tegen die oranjerode kleuren. Pas als ik eronder sta, besef ik hoe groots de boog is. Het is een ware ontdekkingsreis om zo tussen de grote rond afgesleten stenen te lopen. We verkennen het gebied en hebben leuke en interessant gesprekken met de gidsen. Het valt ons op hoe vrolijk de bevolking hier is. Altijd zin in een praatje, altijd goedlachs en een goed gevoel voor humor. En altijd blij met hun leven. De wandeling rond het middaguur in de hitte de berg op laten we zitten. Het kletspraatje maakt dat meer dan goed. De jongeman houdt van zijn leven. Hij heeft maar 3 wensen. Zo snel als mogelijk rijden op de Duitse autobahn, naar Amsterdam voor wiet en de eerste zwarte paus worden. Een andere gids vertelt ons een leuk weetje over het verschil tussen de witte en zwarte neushoorns. Zwarte neushoorns zijn als zwarte vrouwen. Het kleintje loopt achter de moeder. Witte neushoorns zijn als witte vrouwen. Het jong loopt voorop zoals witte vrouwen hun baby voortduwen in een buggy. Een zwarte neushoorn loopt door de struiken een witte door het open veld. Zo houden ze dus beter zicht op hun kleintje.


Terug bij de tent verspillen we de tijd door te genieten we van alle rust en de koeler wordende dag. Brutale vogels eten de kruimels koek al op voordat deze op de grond gevallen zijn. Klipspringers komen huppelend de berg af. Nieuwsgierig maar onbevreesd komen ze naar beneden. Ze blaten of mekkeren naar anderen maar die laten zich niet zien. Voorzichtig knabbelen ze aan de verse groene blaadjes. Ook de klipdassen zijn in beweging gekomen. Een flinke groep zit verdeeld in de bomen en eten van het groen. Nog zo’n leuk weetje: Klipdassen zijn het meest verwant aan de olifant. Het zijn bangeriken. Zodra ik een stap dichterbij zet, zetten zij het op een lopen terug naar de rotsen.






Opnieuw genieten we van de laatste rode stralen van de dag. Het is gewoon onwerkelijk hoe het gebergte en het landschap door het licht van de ene naar de andere kleur verschiet. We zijn dit keer stille getuige van dit dagelijkse natuurfenomeen. Het verveelt nooit. In tegenovergestelde richting komt de bijna volle maan boven de fel rode gebergte uit. Het is moeilijk kiezen welke kant we moeten kijken. Een half uur later staren we naar dezelfde kleuren maar dan van ons vuurtje. Een steak van de lokale koe, gekocht in het plaatselijke winkeltje hier, ligt op het braairek. Zoveel sterren boven ons. Zelfs met de maan kunnen we er heel veel zien. Het leven kan zo simpel zijn.





Het is alweer onze laatste dag. We omzeilen de wegwerkzaamheden van de geasfalteerde weg en nemen een omweg. Niet zomaar. Het leidt ons naar het maanlandschap. Het is een gortdroge, desolate en rauwe omgeving. We rijden dwars door de zwartgrijze stenige heuvels door. Een omgeving waar je niet kan overleven denk ik nog. Als we de laatste bocht gehad hebben, komen we uit in een groene oase. Hier stroomt al het water naar toe tijdens de schaarse regenbuien. Een oude boerderij is nu een resort en camping. Wij kunnen de appeltaart niet weerstaan en nemen er ook maar koffie en thee bij. Als we later verder gaan, rijden we omhoog naar het plateau waarvandaan we een geweldig uitzicht hebben op de zojuist gepasseerde heuvels. Uitgesleten sporen van waterstromen kronkelen naar beneden. Wat een geweld van water moet dat zijn als het hier flink regent. We zetten koers naar het mooie plaatsje Swakupmund voor brood. Bij een bakker koop ik een degelijk Duits volkoren bruin brood. Bij het strand staan we stil. Ik snij een paar forse sneden af, besmeer het met echte boter en beleg het plakjes belegen Goudse kaas. Geen kruimeltje wordt verspild. Op de achtergrond ruist de zee in het westen en in het oosten fluistert het zand van de duinen. Het enige wat we nog missen is Rhapsody. Op naar huis dan maar.

‘I like this place and could willingly waste my time in it.’
– William Shakespeare –


Jeetje, wat adembenemend zeg.
Ik kan me voorstellen dat jullie dit allemaal rustig op je in wilden laten werken.
Liefs van ons vanuit Alphen aan den Rijn
Dank weer Ada, voor je verhaal. Ik had niet verwacht dat kikkers zouden overleven , niet verwacht dat eitjes de droogte zouden overleven.
Ik moet je zeggen dat ik wel moest glimlachen om de bui van John, er zijn grenzen.
De kikkers kruipen diep onder de grond en wachten, soms jaren, op regen.
Weer mooi verwoord- hoe het soms ook tegen kan zitten. Maar daar tegenover staan de wonderlijke momenten die jullie meemaken in de natuur!
Dondersbui in de droogte … . Prachtig en divers. Majestueus
Wat een adembenemend landschap en prachtige kleurschakeringen, om stil van te worden.
Dank voor het delen
Ik heb weer genoten van julli verhaal
Wat mooi de foto,s