De avond is al gevallen voordat we St Helena bereiken. Het is stikdonker wanneer we het eiland ronden. Op het vrijwel onverlichte eiland is van ver een vreemde verlichte rechte streep naar de hemel te zien. “Het lijkt de stairway-to-heaven wel.” Met toestemming van de autoriteiten varen we naar de baai bij het plaatsje Jamestown. We mogen morgen onder geen enkel beding de boot verlaten om naar de kant te gaan. “Wacht tot de havenmeester contact met jullie opneemt.” Het klinkt als een bevel. Dat is voor morgen. Het enige wat nu telt is slapen. Op goed geluk, ver van de rotsen en de vissersboten en op zo’n 16m diepte laat John het anker zakken.

De tocht vanuit Namibië is snel geweest. Ruim 8 dagen over een stuk van ruim 1200nm. Maar ook ruig. Ruiger dan we verwacht hadden. De golven golfden hoger en krachtiger. De windvlagen waren bij vlagen harder en sneller. Al vrij aan het begin van de tocht stopte Bert ermee; onze automatische piloot. De display ging abrupt op zwart. Gelukkig kunnen we rekenen op onze ‘queen’ Bertina; de windpilot. Zij heeft ons er prima door heen gesleept. Van slapen kwam onderweg niet veel. Te onrustig. De boot bewoog zenuwachtig op het staccato ritme van de golven. Flinke zwiepers schudde me regelmatig wakker als ik net in slaap was gevallen. Of ben ik er zelf schuldig aan met al mijn oneindige hoeveelheid gedachtes. Familie berichten uit Nederland hebben me flink bezig gehouden. Het vooruitzicht eventueel zelf te moeten sturen door de kapotte autopilot, werkte ook niet kalmerend. Na een theetje voor mij en bier voor John is het goed slapen. Eindelijk rust. Geen ruisende zee. Geen loeiende wind. Geen stormen aan gedachtes in mijn hoofd en een rustige wiegende Rhapsody.

“Hello goodmorning,” klinkt het opgewekt. Het geluid komt van buiten. We zijn nog niet geheel aangekleed. John roept terug: “We komen eraan.” Eenmaal buiten ligt de ferryboot met veerman Kyle naast ons. “In 5 minutes, I’ll pick you up to see port control and immigration.” Okay, we zullen klaar staan.” “Put your fenders aside, roep hij nog en weg is hij weer. We haasten ons in onze nettere kleding en pakken de benodigde papieren. De man houdt woord en komt langszij zodat wij kunnen opstappen. Hij neemt ons mee naar de commerciële haven en zet ons af. Lopen valt niet mee. We zwabberen met onze zeemansbenen van de ene kant naar de andere kant. Een abnormaal fenomeen want dat ervaren we zelden. Een auto stopt. De havenmeester. “Stap maar in. Ik breng je naar het kantoor.” We vullen alle papieren in en beloven het verschuldigde havengeld te betalen bij vertrek. En hup. We zitten alweer in de auto richting immigratie. Ook hier niets dan vriendelijkheid. Zelfs als er toch nog iets mis is met de verzekeringspapieren. Via de mail mogen we deze opsturen. Maandag zullen we terugkomen om onze visa te betalen. We willen terug lopen naar de kade om opgepikt te worden door de veerboot. We zijn de handmarifoon vergeten om de veerman op te roepen. Mogelijk zou het bereik sowieso niet ver genoeg zijn. We vragen aan een man of hij de ferry kan oproepen. “Nee,” zegt hij. “Maar je kunt ook teruglopen. Hier de heuvel op en het pad volgen. Dan ben je zo in de stad.” “Teruglopen?” denk ik vragend. “Yes, het is niet ver,” zegt de man als mij ziet weifelen. Ik kijk naar me voeten. Teenslippers. “Met deze?” vraag ik. “Yeah, sure.” John ben ik allang kwijt. Die loopt al richting het pad.

Met onzekere zeebenen en vermoeid hoofd waggel ik achter hem aan. Over een smal paadje, langs kliffen en afgronden die in zee eindigen. “Waar ben ik mee bezig.” Het paadje wordt tot mijn opluchting een ongebruikt karrenpad langs oude vestinggebouwtjes en verdedigingswerken.


Het uitzicht is machtig mooi. Rhapsody ligt beneden trouw te wachten. Het stadje Jamestown ligt keurig gekleurd tussen kale en gortdroge heuvels ingeklemd. Ergens, ik weet niet waar, ben ik mijn zeebenen kwijtgeraakt. Mijn vermoeide volle hoofd is leeg en klaar voor nieuwe prikkels.

Jamestown. Town is een groot woord voor het kleine plaatsje. Ik moet toegeven het heeft wel de grandeur van een stad. Het heeft een stadsmuur en een poort. Een kasteel, een gevangenis, een museum, een kerk, een stadspark, een zwembad, een bank, een supermarkt, openbaar vervoer, een ziekenhuis en politiebureau, een hotel, een vvv-kantoor en heel veel leuke winkeltjes. Behalve een geldautomaat. Het voelt meteen goed om hier door de straten te lopen.








Bij een coffeeshop op de kade houden we stil. Tijd voor een bakkie. En gezien het tijdstip ook voor een lunch. John zit even later aan St Helena-koffie en ik aan de thee. Gevolgd door twee borden met lekkere dik belegde broodjes. Terwijl we smullen, kijken we om ons heen. De attitude van de mensen is dorps. Het ons kent ons principe. Met bijnamen en al. Iedereen kijkt even naar ons op en zegt gedag met een wie-zijn-jullie-blik in de ogen. Hier kunnen we ons wel een tijdje vermaken. Voor extra informatie lopen we terug naar het vvv-kantoortje. Die is helaas dicht. Het kunstwinkeltje ernaast niet. We lopen naar binnen. John is al snel uitgekeken. Ik maak een praatje met de dame achter de kassa. Of beter gezegd, zij wil graag een praatje maken met mij. Een vreemde met nieuwe informatie is een leuke gesprekspartner. Ik hoor veel ins en outs van het eiland. Ze komt oorspronkelijk uit Brazilië. Ze woont hier met plezier hoewel het eiland zijn nadelen heeft. Zo is er al een tijdje geen boter of margarine te koop. “Het geeft niet,” zegt ze, “ik heb veel armoede gezien in Rio de Janeiro. Ik leef met wat er is.” “Ja,” beaam ik. “ Wij hebben ook geleerd om te leven ‘zonder’ als zeiler. Daar word je creatief van.” Alleen de pastoor moet het ontgelden bij haar. Ten koste van de bewoners zou hij zichzelf verrijken door geld te vragen voor de activiteiten die hij organiseert. “Terwijl hij weet dat de Saints weinig te makken hebben,” gaat ze geagiteerd verder. Na een half uur sluit ik me weer bij John aan die ongeduldig zit te wachten op een bankje. We slenteren verder door de hoofdstraat. We kijken in de supermarkt en leren dat er inderdaad niet veel vers te koop is en de schappen vrij leeg zijn. Tijdens onze zeiltocht voer een vrachtschip voor ons uit. Het ligt nu afgemeerd in de haven. Hopelijk gevuld met lekkers dat de komende dagen uitgeladen gaat worden.

The Saints, de zelf gegeven bijnaam van de bewoners, maken graag een praatje met gasten op het eiland. Als je even de tijd neemt, ben je al gauw een kwartier verder. Zo moesten we naast de buschauffeur komen zitten in plaats van ergens achterin. “Beter zicht,” zegt hij. Klopt. Zijn echte reden is de mogelijkheid tot een praatje. Veel passagiers heeft hij doorgaans niet. Deze vreemde eenden zijn natuurlijk erg leuk om verhalen over het eiland aan te vertellen. Hij vertelt veel en legt van alles uit. Als er maar iets gebeurt op het eiland weet aan het eind van dag iedereen het. De school heeft een nieuwe naam want de prins Andrew-school kan echt niet meer. Hij legt de verkeersregels uit die nodig zijn op deze smalle weggetjes. Stijgend verkeer heeft voorrang en iedere Saint begroet elkaar. “De meeste toeristen durven hier niet te rijden,” lacht hij schamper. We stappen uit bij het ‘plantationhouse’. Hier woont de gouverneur van het eiland en de beroemde Jonathan.

Jonathan is een landschildpad. Het oudste landdier op aarde met minstens 194 levensjaren. Met zijn levenservaring zou die vast heel veel te vertellen hebben. Dit is echter de enige Saint die zijn mond stijf dichthoudt. Op de heenweg heb ik het nog niet zo door. Pas op de terugweg snap ik zijn opmerking dat toeristen hier niet durven rijden. Ik kijk in een diep dal naast me en een steile weg naar beneden met enkel een muurtje als afscheiding.

St Helena is vooral bekend om zijn beroemdste bewoner van weleer; de verbannen keizer Napoleon. Hij is niet de enige beroemdheid. Op de stadsmuur is een muur omgedoopt tot een ‘walk of fame’. Portretten van Jonathan, Darwin, Joshua Slocum, James Cook, Captain Bley, Queen Elisabeth, haar zus en vele anderen hebben allemaal het afgelegen eiland bezocht. Èn wij natuurlijk. We vinden dan ook dat wij tussen dat rijtje met portretten horen. De muur is nog lang genoeg. Plek zat dus. Helaas geen zwarte stift bij ons om ons portret naast die van hen te schilderen. Lange tijd was per boot de enige manier om het eiland te bereiken. Het was de bevoorradingsplaats van de vele handelsschepen van en naar India. In 1502 ontdekt door de Portugezen. Daarna overgenomen door de Engelsen. Het afgelegen eiland is sinds een paar jaar ook per vliegtuig te bereiken. Of je ook aankomt hangt af van de grilligheid van het weer. De landingsbaan is kort en ligt tussen de bergen. De automatische piloot is niet te gebruiken. Bij mistvorming door spontane wispelturige wolken kan de piloot het vliegtuig niet aan de grond zetten en moet rechtsomkeer maken. Met de boot reizen is zo gek nog niet.

St Helena heeft een heuse jachtclub. Tijdens covid hebben zeilers het een nieuw leven in geblazen. Kees, een Nederlandse jongen, liep hier vast tijdens zijn zeilreis. Hij heeft zich opgewerkt tot comodore van de Club. Of was het omdat iedereen verder wilde en hij hier zich op het eiland gevestigd heeft. We worden lid. Nu kunnen we de was doen en douchen. De douche is weliswaar net aan warm maar lekker. Op woensdag is het fish and chips-avond. Het is een hoogtepuntje van de week. Veel Saints komen hier hun favoriete gerechtje eten en de laatste roddels uitwisselen. Gasten, nieuwe politie-agenten, bewoners, iedereen schuift aan. Rond zessen is het gezellig druk en worden de verse tonijnstukken gebakken. het knapperige beslag is erg lekker gekruid, de patat wat slap maar de vis is zalig. Dit is niet het enige uitje op het eiland. In het weekend gaat de DJ los aan de waterkant op de kade. Helaas stopt de ferrydienst vroeg op de avond en genieten we maar aan boord.

De man achter het bureautje van snuisterijwinkel kijkt ons onderzoekend aan. “O, ja, jullie willen een auto huren. Dat kan. Ik heb er een.” We kunnen St Helena niet verlaten zonder het te verkennen per auto en te voet. We moeten hem beloven niet op onverharde wegen te rijden. De auto staat laag op zijn wielen. Schade is zo gereden. Dat zou nog niet eens zo erg zijn. Het probleem is het krijgen van onderdelen op het eiland. Het verbaasde ons al dat er zoveel verschillende automerken rondrijden. Niet echt handig op een afgelegen eiland als dit waar vrachtschepen eens in de zoveel weken afmeren. Een garage hier moet dan van alles in huis hebben. Als we de auto een paar dagen later ophalen, vraagt een werknemer of we wel kunnen rijden in een handgeschakelde auto. Een belangrijk detail als we dat niet zouden kunnen. We krijgen een auto met een 4-cijferignummerbord. Dat is veel voor hier. Sommigen hebben maar 1 cijfer op het bordje staan.

St Helena is een parel in de Zuid Atlantische oceaan. Ooit begonnen als vulkaantje op 5000m diepte en is uitgespuugd tot een eiland van 27km2. Op sommige plaatsen is wel zo’n 1000m hoog. De wegen slingeren zigzaggend omhoog. In een 5-tal haarspeldbochten zijn we boven op de bergrug. Naast buitengewone schoonheid heeft het ook extreme dieptes.

Het landschap verandert bij elke afslag die we nemen. Van rauwe droge kliffen naar gifgroene weelderige valleien. Schapen grazen. Koeien staan langs de weg die maar 1 auto breed is. Verkeer is er nauwelijks.


Onze eerste stop is de tombe van Napoleon. Het is de nummer 2 activiteit op het eiland. Doe als Napoleon. Zijn beenderen zijn met veel bombarie opgehaald door de Fransen en naar Frankrijk gebracht. Wat rest is een platte plaat met een hekwerk eromheen. Niets staat er op omdat er onenigheid was welke naam er gebeiteld moest worden. De plek is weelderig groen met veel bloeiende planten. Het favoriete plekje van de keizer. Hij kwam hier graag. Daarna rijden we door naar zijn woonhuis.

Een eigenaardig woonhuis. Kamers lijken aan elkaar vastgeplakt om het groter te maken. Er zijn geen corridors. Beter gezegd: de corridors zijn ingericht als kamer. Je loopt door verschillende kamers om in een andere te komen. De badkamer bijvoorbeeld is niet meer dan een doorloop. Om een gebouw grandeur te geven, maakt men doorgaans hoge deuren. Hier niet. John kan er amper onder de deurpost staan. Napoleon kende veel vrijheid. Hij mocht overal komen onder begeleiding van een soldaat. Om hem in de gaten te houden, liet de gouverneur overal poorten bouwen. Passeren kon alleen als de begeleidende soldaat het juiste wachtwoord kende. Dit wachtwoord veranderde dagelijks. Ontsnappen van het eiland mocht absoluut niet gebeuren. Hoewel de Engelsen een flinke oorlog voerde tegen Napoleon hebben wij Nederlanders verbazend veel te danken aan hem.

Nu we bovenop de bergrug rijden kijken we in groene valleien met grote varens. Oude knoestige bomen langs de landelijk weg. We zijn op weg naar Blue Point. Een wandeling met mooie vergezichten. Ver zijn we niet gekomen. IJzige venijnige felle wind en natte bewolking houden ons tegen zodra we aan de wandeling beginnen. We breken deze wandeling af. Niets dan een grijze saaie wereld. We genieten zo ook wel van het eiland. Het laatste stuk naar Jamestown is bergafwaarts. Stijgend verkeer heeft voorrang. We kennen de weg niet en deze is alles behalve overzichtelijk. Na elke bocht is het een verrassing of we wat tegenkomen. Al gauw staan we oog in oog met een ander bestuurder. Terug dus. In zijn achteruit de steile kronkelende weg omhoog op zoek naar wat ruimte zodat de tegenligger ons kan passeren. Het muurtje naast me ziet er stevig uit en ontneemt me het zicht op het dieper gelegen Jamestown. John draait en kronkelt mee. Soms lijken we dwars te staan. Ik zweet peentjes. John manoeuvreert zich in allerlei bochten en ja, daar is een inhammetje. Net genoeg ruimte om de auto te laten passeren. Volgens goed gebruik zwaaien we naar de bestuurder die zich afvraagt wie deze rij-malloten zijn zijn. Vanaf dat moment kijk ik ver vooruit om elk voertuig zo vroeg mogelijk te signaleren. Het laatste stuk is gelukkig vrij van verkeer.
“What are you up to, today? Kyle onze veerman is nieuwsgierig. We gaan naar de Vijvers van Lot’s vrouw. Het is de mooiste wandeling op het eiland. “Be careful. The road to the beach is steep.” We hebben gister al het halve eiland overgereden dus zal het wel meevallen. Hoop ik. Opnieuw vergaap ik me aan het natuurschoon. Bij elke bocht gaan van de ene wereld naar de andere. Van zon naar regen. Van de droge zijde naar de natte.






Diepgroene valleien en bergkammen. Van glooiende frisgroene heuvels tot angstaanjagende hoge kliffen die recht naar de oceaan afdalen. Veel veelkleurige vulkanische rotsen die door de tijd gladgestreken zijn tot aangeplante eucalyptusbossen. Wuivende grassen links en rechts naast me op de hoogste bergpassen van het eiland.

“Hier moeten we in.” De afslag is nauwelijks te zien door overhangende takken boven de weg. Algauw versmalt de weg. De bochten volgen elkaar in een rap tempo op en zijn totaal onoverzichtelijk. Ik smeek in stilte dat we, alsjeblieft, niemand tegen zullen komen want wij zijn de dalende partij. Als dat wel het geval is, moeten wij terug omhoog. De weg is amper 1 auto breed en absoluut geen ruimte om te passeren. Naarmate we verder komen, wordt het landschap kaler met uitzichten om door een ringetje te halen. Boerderijen prachtig gelegen op de hellingen. Dan een bord langs de weg: Caution! Very steep road. Nou, ik vond de weg al steil. “Hoeveel steiler kan het nog worden?” en ik denk aan de woorden van Kyle vanmorgen bij ons vertrek. Ik houd mijn adem in voor wat komen gaat. Ik houd me aan de handgrepen vast. Ik zet me schrap zodra we de eerste hoek om zijn. Ik zie, vlak voor me, maar een paar meter weg, een 20cm hoog muurtje en verder lucht. Alleen maar een blauwe lucht. Als een verschrikt vogeltje zit ik naast John. Hij begrijpt niets van mijn angst. Ik probeer zo stoer mogelijk te doen. Vooral zo min mogelijk iets van mijn angst laten merken. Op mijn mobiel zie ik hoe de bochten zich kronkelen op een uitloper van de vulkaan. Nog maar een paar 100 meter te gaan. De uitzichten zijn echt fenomenaal.

Geen wonder dat men trots is op dit eiland. Opgelucht haal ik adem zodra we onderaan de berghelling zijn. Het laatste stuk weg naar het strand naar het beginpunt van de wandeling leggen we lopend af. Dat hebben we beloofd.

Des te verder we lopen, hoe leger het wordt. Kleuren van het vulkanische gesteente nemen daarentegen toe. We hebben geluk. De bewolkte lucht van vanmorgen vroeg is helemaal opgeklaard. We beginnen vol goed moed aan onze wandeltocht. Na een paar aanwijzingen slaan we linksaf. Een pad kan ik het niet noemen. Ik glip en glij over de kleine steentjes. Ik volg John en binnen een paar minuten zijn we een flink eind de berg op geraakt. Het toch al onduidelijke pad wordt nog onduidelijker en steiler. Op een berg aan de overkant zien we duidelijk een pad. “Zijn we verkeerd gelopen?” “Nee joh, dat is een andere.” John haalt zijn schouders op. Ik vind het maar niks. Vooral als ik vlak daarna onderuit glijd. De lucht begint te betrekken. De wind trekt weer aan. Flarden wolk wordt door de wind vanaf zee meegeblazen het eiland op.



We kiezen eieren voor ons geld en gaan terug. John lopend. Ik glijdend op mijn gat totdat ik weer durf te staan om verder te gaan. We gaan voor een veilig alternatief. De wandeling naar de hartvormige waterval. Door groene en kale struikgewassen komen we bij het waterstraaltje uit. Het zijn niet de enige wandelingen die we gedaan hebben. Het eiland ligt vol met wandelpaden. Allemaal even interessant, uiteenlopend en naar elke uithoek op het eiland.




Nog even terugkomend op de ‘stair way to heaven’. Het blijkt een Jakobsladder te zijn. Een snelle manier om vanuit Jamestown boven op de berg te komen. Minstens 1 keer zou je de ladder moeten beklimmen. Ooit was het niet meer dan een touwladder waarlangs soldaten snel naar het fort klauterden bij vijandelijk gevaar. Daarna heeft het een trammetje gehad. Nu na jaren verslonst te zijn, is het hersteld door een gulle gever. De hoge onhandige traptreden zijn gerepareerd en een reling is aangebracht. De rijen lampen zijn net die week aangesloten. In een zware gestage tred ga je bijna loodrecht naar boven. Tenzij je voor een recordpoging gaat. Dan ga je rennend. Een eervol plakkaat met je naam prijkt op de muur aan het einde van de ladder als je de snelste bent. Anderen kunnen een oorkonde bij het museum halen. We hebben onder en bovenaan de ladder gestaan. En zelfs er op. We hebben gewikt en gewogen. Gedubd en getwijfeld. Maar nooit hebben we al die 699 treden belopen.




Vaak genoeg wordt ons gevraagd wat we van St Helena vinden. We vinden het hier geweldig. “Waarom blijf je niet?” is de vraag die volgt. We zouden wel willen. Het heeft alles. Natuur, rust, ruimte, vertier, goede temperatuur, vriendelijke mensen. “Ja, waarom blijven we niet?” Als we de kade oplopen weten we weer waarom. Rhapsody zwaait uitbundig met haar mast. Niet omdat ze blij is dat ze ons ziet. Nee, het is de zee. De continue onrustige zee rondom het eiland maakt het leven aan boord regelmatig verre van comfortabel op de ankerplaats. Het enige wat hier op dit stukje hemel op aarde ontbreekt is een rustige aanlegsteiger. Taclon, de andere veerman, brengt ons aan boord. “I like sailors. You are different then people who come by plane. They are into their own things. Sailors are into others.” Dan wordt het tijd om afscheid te nemen van de ‘Saints’ en dit stukje hemel op aarde achter ons te laten.

‘On earth there is no heaven, but there are pieces of it.’
Jules Renard –
Wat weer een fantastische belevenis om mee te lopen over het eiland het wordt steiler, smaller en jullie trotseren elk gevaar .
Ik loop mee en hoofdstuk jullie
En geniet van de mooie plaatjes..er nog
Nog steeds van genieten.
Komt er nog een eind aan jullie tocht of is dit een avontuur zonder eind??
We zijn onderweg naar Nederland. Volgend jaar augustus/september hopen we door de sluizen van IJmuiden te varen
Wat hebben we weer veel moois gezien
en de schitterende bloemen pracht
Het is echt een paradijs
Tante Nel
Weer mooie en spannende tochten beleefd!