Met de boot uit het water gaan is, zeg maar, niet mijn ding. “Houden de banden het wel? Is de motor van de trekker sterk genoeg om ons voort te trekken?En die kabel ziet er wel erg gebruikt uit.” Dat soort dingen spelen voorafgaand door mijn hoofd. Verschillende keren en in verschillende landen zijn we op de kant gezet. Tot nu toe is dat altijd goed gegaan. Hier in Richardsbaai heeft het zo zijn eigen voorwaarden en perikelen. Met onze diepgang moeten we wachten op springtij om eruit gehaald en om terug te water gelaten te worden. Dat is maar twee keer per maand. De botenlift waar we in gaan hangen, is klein. Dus moet John vooraf de voorstag weghalen. “Gaat dat wel goed. Blijft de mast dan wel stevig staan bij harde wind?” Allemaal vragen in mijn onrustige hoofd terwijl bij John niets gebeurt. Je zou zeggen na zoveel ervaring dat het inmiddels een peulenschilletje is. Nope. Niet dus. Het is namelijk altijd anders.

Het uur U is aangevangen. Deze ochtend heb ik de waterstand scherp in de gaten gehouden. Als we iets later zijn, maak ik me zorgen of we wel op tijd zijn. We maken de trossen los en varen naar de boothelling. “Is het water nu alweer aan het zakken?” Dat bezorgde stemmetje houdt echt nooit haar mond. “Hebben we nu wel genoeg water onder onze kiel?” Het gaat maar door. Het gehele apparaat, de bootlift, waar we naar toe varen, is al in het water gereden. We hoeven alleen maar keurig in het midden te eindigen. “Staat er niet te veel wind?” Twee ervaren rotten in het vak staan klaar om onze lijnen aan te pakken vanaf die wagen. Nog een klein stukje. Ik hou mijn adem in. Lijnen zijn vast. Bodem niet geraakt. John zet de motor uit. Ik maak foto’s en filmpjes om wat om handen te hebben. Een van de mannen springt het water in en controleert of alles goed gaat. De banden onder Rhapsody’s buik worden op de juiste plek strak gespannen. Dan komt het. De mannen nemen hun plaats in en beginnen handmatige te takelen. Niks geen druk op de knop. Nee, hier werkt spierkracht. Vier stevige armen doen het werk. Al ratelend gaan we zoetjes aan omhoog. Ik kijk naar de roestige kettingen. “Zouden die het wel houden?” “Stil nou!” Ferm probeer ik die stem het zwijgen op te leggen. De mannen weten wat ze doen. Ik weet niet hoeveel boten hebben ze op deze wijze eruit gehaald. Zelfs ook vele male groter en zwaarder. “Dus nu lukt het ook.” Drijven wordt bungelen. Voorzichtig begint de trekker te rijden. Wij volgen al schommelend. Vanaf grote hoogte bekijk de situatie nu we omhoog de boothelling op het water uit gaan. Tergend langzaam. Alles gaat goed. We breken niets en we raken niets. Inmiddels hangen we boven land. Via een ladder aan de voorkant mogen we afstappen. Blij dat ik weer op de grond sta, kijk ik hoe Rhapsody naar haar plaats gebracht wordt. Het is een paar keer steken voordat we op onze standplaats staan. Rhapsody krijgt een scheerbeurt. Een hoge drukreiniger verwijdert in een rap tempo alle groene baardgroei.

We zijn er nog niet. Rhapsody moet op haar eigen kiel staan. Ook dat is overal anders. In Nederland staan we op een scheepsbok. Een grote metalen standaard. Maar overal elders zijn het vaak verschillende losse standaards met een plat vlak aan de bovenkant die tegen de romp geplaatst worden. Die standaards worden met lijnen aan elkaar vast gebonden zodat ze niet kunnen wegglijden. Hier zijn het ronde houten palen. “Vallen die niet om.” De mannen lachen. Maar dat komt morgen. Voor vandaag zit hun werk erop.
De eerste nacht wiegen we gerieflijk in de banden. De volgende morgen beginnen ze te graven. Een gat van zo’n 50 cm diep. En niet een maar 9. Rhapsody wordt op wel 9 palen gezet. Overal wordt geklopt op de boot op zoek naar de sterkste steunpunten in de romp. Een scheepsbok heeft maar 4 steunpunten. Met losse standaards zijn het er vaak zeven. Nu dus negen. Het kost ze bloed zweet en tranen in de al vroeg ontstane ochtend hitte. Rond 11 uur staan we als een huis. Er zit geen beweging in. Het is de eerste keer dat we zo stil staan. Op het dek naar de voorpunt lopen, blijft voor mij een dingetje. Zelfs nu we zo stil staan. Altijd bang dat we door mijn gewicht naar voren kukelen. “Dat kan niet!” zegt John steevast. “Er staat een paal onder.” Zal wel zo zijn maar graag doe ik het niet.

Het werk kan beginnen. De propeller gaat eraf. Vervuild olie laten we leeglopen en een paar dagen uitlekken. John schuurt en verft. Ik plak af en maak schoon. Na elke dag klussen gaan we naar de jachtclub en proberen vrijwel alle gerechten van de menukaart uit.
“Ik ben heel blij dat we niet op dat ding staan.” We zijn op weg naar de douche om daarna te gaan eten. Op een kar waar we langs lopen, staat een flinke zeilboot. Ze staat vastgebonden aan een grote zijsteun. Het is te vergelijken met zo’n kar waarmee platen glas vervoerd worden. Als je een kort klusje hebt, is deze optie velen malen goedkoper dan op die palen. Eronder is een man, niets vermoedend wat hem staat te gebeuren, aan het werk. Hij verwijdert oude lagen verf. We stappen over de derrie heen. “Waarom dan?” vraagt John. “Nou, ik ben bang dat het hele gevaarte omvalt of naar voren kukelt.” “Gebeurt niet,” bromt John. Ik zwaai naar de eigenaar die in de kuip zit. Hij zwaait vrolijk terug. Mijn fantasie gaat met mij aan de haal. Ik zie beelden van de Flinstones. Je weet wel. Dat stukje waarin Fred een steak bestelt en zijn hele auto omvalt als de bestelling afgeleverd wordt. “Liever hij dan wij op die kar,” denk ik en loop vlug door achter John aan. Op naar een echte steak.
Na het eten is het onverwacht druk op de werkplaats. Een hoop tumult in de doorgaans stille avond. Verheven stemmen klinken schel door de avondlucht. Als we ons tussen de mensen bevinden, zien we waar het allemaal om gaat. De boot op die kar staat raar scheef. Wat niet zou kunnen, is gebeurt. De boot is naar voren gekukeld en hangt gevaarlijk voorover. De kiel is, een geluk bij een ongeluk, tegengehouden door een dwarsbalk van de kar. Als we erom heen lopen, staat de boot ook bedenkelijk scheef naar de zijkant. Vastgehouden door de vele lijnen aan de steun van de kar is het wonderwel blijven hangen. Iedereen heeft er zo zijn eigen mening over. De eigenaar is duidelijk: “Ik heb het vanmiddag nog gezegd. De boot staat verkeerd. De kiel moet op twee steunbalken staan niet op een. We moesten maar 50cm naar voren” Hoe het kan, is voor mij een raadsel. De werkmannen zijn secuur, bedreven en ervaren. Kwam het doordat het vrijdagmiddag was? Wilden ze naar huis? Vertrouwden ze teveel op de ijzeren plaat waar de kiel op staat. Lag deze niet goed? Is tie gebroken? Was de kiel van deze boot groter dan anders?


Wat is er gebeurd” De vrouw naast me is toevallig de vrouw van de eigenaar. Ze is buitengewoon rustig. “Ik liep naar voren om een raam open te doen en toen vielen we naar voren.” Het hele gezin was aan boord. “Zie je wel dat het kan.” klinkt een piepstemmetje. Nu begint het getouwtrek. De eigenaar wil terug het water in. Het water zal de boot opvangen en op natuurlijke wijze weer oprichten. De werkmannen willen de boot handmatig recht zetten op de kar. De Italiaan is furieus. Onder geen enkel beding laat hij dat gebeuren. “Jullie hadden vanmiddag moeten luisteren. Ik heb het direct aangegeven. Kijk nu! schreeuwt hij. “IK wil het water in.” De mannen horen we niet. Een vrouw van de marina de-escaleert de boel. De motor van de trekkabel wordt gestart. De boot gaat terug het water in. De vraag is welk water want het wordt eb op dit moment en staat aardig laag. Iedereen houdt zijn adem in. De Italiaanse zeiler foetert zijn frustratie eruit wanneer hij ontdekt hoe en vooral waaraan de lijnen vastgezet zijn aan zijn boot. Niets kan hij er nu aan veranderen. Zeker zo’n acht uur zal hij op een scheefgezakte boot de nacht moeten doorbrengen. Hopende dat alle belegde lijnen het zullen houden. Zijn gezin slaapt gelukkig ergens anders. De man die onder de boot bezig was, is met de schrik vrij gekomen. En de rust keert terug.
’s Ochtends als ik wakker ben, schiet ik direct uit bed en kijk naar buiten. “De boot is weg,” zucht ik opgelucht. Even verderop ligt het vredig te dobberen aan de steiger.
Die GROOTSTE FOUT wat meeste mense maak, is om;
half te luister, kwart te verstaan en dubbel te vertel.
– Zuid Afrikaans gezegde –


Jouw stemmetje is zo gek nog niet.
Gelukkig goed afgelopen.
“Ek het dit geweet.”
Zuid afrikaans voor ik was er al bang voor
Fijn dat het bij jullie wel goed ging!
Wat een verhaal! Het zal je maar overkomen.
Ja, dat stemmetje… Soms hinderlijk, maar soms ook terecht. Blij voor jullie dat jullie op die stevige palen staan!
Groeten,
De Patpanickskes