“En dáar gaan wij heen!?” roept John uit. Diep onder de indruk sluit ik de computer af. Aangeslagen door de documentaire die we net bekeken hebben. De uitbarsting van de vulkaan Hunga Tonga-hunga Ha’apai was in 2021 wereldnieuws. Op de huidige satellietfoto’s zien we dat van wat eens een behoorlijk eiland was, alleen nog een paar puntjes over zijn. “Ja,” zeg ik, “we gaan een stukje terug.”

Na ons verblijf in Nieuw Zeeland zetten we koers naar het noordoosten en zeilen we via het Minerva rif naar het koninkrijk Tonga. Dit land staat al sinds ons vertrek in 2016 op een denkbeeldig lijstje in mijn hoofd. Terwijl andere landen in 2022 zoetjes aan hun grenzen weer openden, bleef Tonga tot ver in het zeilseizoen dicht. Met lede ogen moesten we de wateren van Tonga aan bakboord laten liggen. En nu zijn we, een jaar later, er toch. In Nuku’alofa. De hoofdstad van Tonga om in te klaren. We mogen met de boot in het weekend aan de kade blijven liggen. Verschillende autoriteiten laten namelijk tot maandag op zich wachten door onderlinge onenigheid. Geeft niet. We kunnen nu zo de stad in lopen. Naast ons liggen onze vrienden van Eastern Stream.

“Voelde jij dat ook?” vraag ik John die naast me ligt. Ik ben wakker geworden door zachtjes schudden van de boot. Kortstondig. Een beweging die ik zo een, twee, drie niet herken. “Zou het een beving geweest zijn?” John zoekt het op. Een paar honderd mijl uit de kust is inderdaad een zeebeving gemeten. Na die ene keer volgt er gelukkig niets meer. Dit stukje aarde leidt een eigen onvoorspelbaar leven. Buiten hoor ik stemmen. Ik sta op en kijk door de kajuit-ingang. Op de kade staan heel wat mensen. Schelpdieren en verschillende soorten vis liggen in een vissersbootje uitgestald. Men kijkt en koopt. Plastic zakken vol vis gaan in andere handen over. Een stukje verder liggen inktvissen op ruw beton. Op straat zie ik jongens in een tuvelu, een rok, met daaroverheen een taovala gedrapeerd, een mat van geweven pandalusbladeren dat met een touw vastgemaakt is. Ook de dames dragen het. Hoewel zij ook nog een frivole kiekie om hun middel geknoopt hebben. Het is duidelijk, vanmorgen ben ik in een nieuw land wakker geworden.






Hoe langer ik naar de donkere hemel kijk, raakt deze steeds voller met sterren. Een voor een knippen ze aan. Dat kijken valt echter niet mee. Ik moet me vast houden om naar boven te kunnen kijken. Rhapsody bokt en bonkt. Ze klapt met haar zeil wanneer een hoge golf haar omver zwiept. Onrustige golven volgen elkaar in een hoog tempo op. We zijn onderweg naar de afgelegen Ha’apai groep. Onze bestemming ligt te ver weg voor een dagtocht maar weer te dichtbij voor een lange nacht. Met een gereefd grootzeil halen we de snelheid uit de boot om bij het eerste ochtendlicht aan te komen. Ik stuur 20graden op en hou zo meer wind in het zeil. Het geeft meer snelheid en betekent tevens meer mijlen maken. Maar dat heft elkaar op. Eindelijk wat rust aan boord. Ik mijmer over het eiland waar we achter gaan liggen. Palmbomen, een wit strand en azuur blauw water. Zodra aan de horizon het blauw de zwarte hemel verdrijft, draaien we de baai in. Er doemt een surreëel beeld op.

In het kleurenpalet van de nieuwe dag lijkt het op een creatie van Dalí. Een lange engte zand met daarop een enkele kale boom. We ankeren tussen twee eilanden Nomuka en Nomuka Iki. Als we later op het kleinere eiland lopen, wordt pijnlijk duidelijk wat er gebeurd is. Op het zand liggen als luciferhoutjes, omgewaaide palmbomen. Allemaal in dezelfde richting. Het overdondert me. Voor de tsunami was het hier een groene oase. Ik zou toen vanaf deze plek het tegenoverliggende grotere eiland Nomuka niet gezien kunnen hebben. Wat een verwoestende kracht. We lopen het eiland rond. Enorme bomen zijn met wortels en al uit de grond getrokken. Stammen zijn meegesleurd en liggen tegen stevige bomen opgestapeld. Wat een ravage. “Hoe zal het op het andere eiland zijn?”




Een dag later gaan we naar het dorp op Nomuka. We trekken het bijbootje op het strand. Een breed stuk. Ongewoon hobbelig. Betonnen restanten zijn zichtbaar in het zand. Huisraad ligt op een hoop. Een huis dat wel overeind gebleven is, is een bouwval en onbewoonbaar. In stilte lopen we verder. De weg door het dorpje is verlaten. Bewoners zitten op een veranda bij hun huis. Een verlegen gedag. In een zijstraat loopt een oudere dame ons tegemoet. Zodra ze ons ziet, vraagt ze wat we komen doen. Ze blijft staan. Zonder te wachten op ons antwoord steekt ze van wal. “De bewoners zijn nog steeds in shock,” zegt ze. “Dit eiland is het zwaarst getroffen van allemaal.” De huizen bij het strand zijn allemaal meegenomen door het water. Men woont nu bij familie wachtend op een huis in het nog te realiseren nieuwe dorp in de heuvels. Maar de jongeren zijn er niet om het werk te verrichten. “Vertrokken om elders geld te verdienen.” Ze schudt haar hoofd en vervolgt haar weg. Ik heb heel veel vragen maar durf ze niet te stellen. In elk woord die ze sprak is haar pijnlijke verdriet hoorbaar. In Nuku’olafa vertelde een ooggetuige ons dat de knal van de explosie letterlijk oorverdovend hard geweest is. Kinderen renden in paniek rond omdat ze niets meer konden horen. Onvoorstelbaar. We lopen een heuvel op en daar ontmoeten we Mary, een jongedame. Ze kijkt op en onderbreekt haar werk. Vrijwel uit zichzelf begint ze te vertellen. “De golf was zo hoog. Het kwam boven de bomenrij van Nomuka Iki uit. Dat zand wat je nu ziet, was dichtbegroeid groen. Het water erachter kon je vanaf hier niet eens zien. Alles is meegesleurd. Daarna kwam het water hier.” Ze wijst tot hoever het water is gekomen. Niet veel hoger staat haar huis. Ze heeft geluk gehad. “Mensen stonden aan de waterkant naar het fenomeen te kijken en te filmen met hun mobiele telefoons. Niet wetende wat er op hen afkwam. Ze zetten het pas op een lopen toen de ernst tot hen doordrong,” vervolgt ze. Ze verontschuldigt zich om weer aan het werk te gaan. Ze beschouwde het als een plicht om op het eiland te blijven om het weer op te bouwen. Oogsten waren mislukt en gewassen moesten weer aangeplant worden. Ik kijk in de verte. Niet voor te stellen die dreiging van het water. Een vloedgolf van minstens 20meter hoog. Aan de horizon ligt een andere vulkaan. Het is een tikkende tijdbom. Lange tijd hebben ze gedacht dat deze geen kwaad kon. Sinds, de verwoestende uitbarsting van de Hunga Tonga -Hunga Ha’apai houden ze deze scherp in de gaten. “Is de rookpluim nou groter dan vanmorgen?




Al vanaf het strand zien we Rhapsody heen en weer zwiepen als een tuimelaartje. Het kost me moeite op aan boord te stappen. Door de zuidwestenwind rolt de deining van weerszijden om het eiland en ontmoet elkaar precies waar wij geankerd liggen. Alles behalve comfortabel. Aan boord openen we de computer. Op zoek naar een andere ligplaats.

Het is even puzzelen want de Ha’apai-groep heeft maar weinig beschutte ankerplaatsen bij wind uit die zuidwestelijke hoek. We vinden er een bij het eiland O’ua. Rondom het eiland ligt een groot en breed koraalrif waardoor we in ieder geval tegen de golven beschermd zijn. Het anker valt na een korte zeiltocht in een blauwe onderwatertuin. We liggen stil als een huis. De vulkaan, we zijn een stukje dichterbij, is inmiddels een vast gegeven aan de horizon. O’ua oogt groen en onaangetast. De verwoestende kracht van het water was uitgedoofd toen het deze regio bereikte.

Sione ontmoeten we aan het begin van het dorp op O’ua. Hij voert zijn varkens. Het hele dorp is overigens geheel omheind met gaas om loslopende varkens buiten te houden. We struinen over het eiland en zien goed verzorgde plantages. Op de grond zien we sporen van de vulkaan. Kleine steentjes. Zo licht als een veertje. “Het eiland zag zwart na de uitbarsting. De regen heeft alles schoongespoeld. Nadien groeien de gewassen als kool,” legt Sione uit die met ons meegelopen is. Zijn woorden zijn zeker niet gelogen. We lopen met onze handen vol gekregen lekkernijen terug naar onze bijboot.




“Ada, kom eens naar buiten. We krijgen bezoek.” Snel doe ik een omslagdoek om zodat ik netjes over de knie gekleed, de gast kan begroeten. John is op het voordek aan het werk en zwaaide naar een langsvarende visser. Deze stopt abrupt en koerst richting Rhapsody. In een klein motorbootje is de man druk bezig met iets wat ik niet goed kan zien. Met een schuin oog houdt hij de beide boten in de gaten en stuurt zo nu en dan zijn bootje een beetje bij. Wanneer hij dichterbij is, zie ik wat hij doet. Hij wrikt met een mes een grote schelp open en ontdoet het van het vlees. Ik kan niet goed geloven wat ik voor mijn ogen zie gebeuren. Ik weet ook dat wat hij nu in zijn handen heeft, ik straks in mijn handen heb. Ik pak een grote emmer. De man is een grote doopvontschelp aan het schoonmaken. Normaal gesproken bewonder ik deze dieren langdurig tijdens het snorkelen. De gekleurde lippen is een waar wonder. Opgewonden en ook met afschuw kijk ik het tafereel aan. Ik kan dit cadeau niet weigeren. En met het aanpakken zal het ook gegeten worden. Verbouwereerd en vereerd neem ik de delicatesse in ontvangst. Blije opgetogen ogen kijken mij aan. “What do I eat,” vraag ik nog voordat hij ervan door wil gaan. “Alles. Je kunt alles eten.” “Alles?” herhaal ik niet begrijpend. Mijn onwetendheid moet duidelijk bij hem over gekomen zijn want nog net voordat hij weggaat, laat hij zien wat ik weg moet snijden. Lachend als een boer met kiespijn, bedank ik hem. Ik kijk in de emmer. Hoe ga ik dit nou doen. John is normaal gesproken van het snijden en bereiden maar die is druk bezig. En komt het dus op mij aan. Ik kijk nog eens in de emmer. We hebben wel vaker gekke dingen gegeten maar dit roept weerzin op. Ik roep de buurboot op. Of zij weten hoe ik dit klaar moet maken en nodig hen tevens om het op te eten. “Ik zet de wijn vast koud kunnen we het in ieder geval wegspoelen.” In een viskookboek kom ik een paar recepten tegen. Met moed der wanhoop snij ik de delen weg die niet eetbaar zijn. Ik proef een stukje maar het is taai. De lippen en iets wat op een jakobsschelp lijkt, hou ik. De gerechten zijn lekker maar om te zeggen een delicatesse gaat mij te ver.





Later vraag ik aan een dame in het dorp Ha’afeva hoe je een doopvontschelp moet klaar maken. Haar ogen lichten op wanneer ik haar het verhaal van de visser en de schelpdier vertel. “Niet,” zegt ze. “Gewoon rauw. Het zwarte bolletje moet er uit en dan alles eten.” Ze kwijlt nog net niet. “Doopvontschelpen zijn moeilijk te vinden. Er zijn er niet zoveel meer,” zegt ze spijtig. “Rauw, in stukjes snijden en dan eten?” herhaal ik. Bedenkelijk kijk haar aan. “Nou ja, een beetje limoensap, wat kokos melk, een uitje en wat peper.” Het zachte gedeelte wat ik had weggedaan was waarschijnlijk het lekkerste. Het is namelijk haar favoriet. Ik heb haar maar niet verteld dat ik juist dat deel heb verwijderd.

De wind is gedraaid en staat uit het zuidoosten. Tijd om te vertrekken. Nu de west uit de wind is hebben we keuze genoeg. Allemaal in gerieflijke dagtochten te doen. De keuze is snel gemaakt. Onze nieuwsgierigheid is namelijk gewekt na het lezen van bijna onuitspreekbare namen. We zeilen tussen allerlei eilandjes en ondieptes door die hier als willekeurige speldenprikken op de kaart gezet lijken te zijn. Het is lang geleden dat we zo lekker gezeild hebben. Aan de wind. Windkracht 3. Vlak water. Wat wil een zeiler nog meer. Ik weet het zeker; Rhapsody zeilt met een glimlach. De ondieptes geven zich makkelijk prijs. Wild schuimbekkend water. Ik kijk nog eens. “Vreemd. Dit beweegt anders.” Een enorme fontein water schiet plots meters omhoog. “Walvissen!” Ze zijn ineens overal om ons heen. Waar we ook kijken aan stuurboord, bakboord, achter ons en voor ons. Rhapsody zeilt vrijwel vanzelf. Ik sta op en laat het roer los zodat ik de dieren beter kan spotten. Ze springen achterelkaar uit het water en als bommetjes plonsen ze weer terug. Ze steken prachtig zwart af tegen het grijs van de vulkaan op de achtergrond. We komen jammer genoeg nooit foto makend dichtbij.

Het anker heeft zich nauwelijks in het zand gegraven of we peddelen met de kano naar het eiland. Enkel turquoise water tussen ons en het blanke strand van het onbewoonde eilandje Uonukuhihifo. We landen op de zandbank tussen de eilanden die tijdens hoogwater een azuurblauw glazuurlaagje krijgt. Sporen van varkenspootjes verraden dat we niet helemaal alleen zijn. John raapt een kokosnoot voor de curry van vanavond. Terwijl hij het schoonmaakt, struin ik het strand af op zoek naar strandschatten. Het eilandleven is verrukkelijk. Uonukuhihifo biedt ons uitzichten als op ansichtkaarten. Duikbrillen hebben we niet nodig. Bij eb is er genoeg achtergebleven zeeleven te zien. Een murene in een klein kommetje water. Levende rotsjes op steen. Een grote spinschelp op het zand. Een klein paradijsje is dit eiland. We ontwaken ruw uit onze droom als een kokosnoot net naast John uit de boom valt.










Nog slaperig van de nacht zit ik in de kuip. Ik wrijf in mijn ogen. Wakker geworden door een penetrante brandlucht. Nu zie ik waar de geur vandaan komt. Tussen de palmen hangt een witte waas. In sierlijke slierten walmt de rook als mist laag boven het water onze kant op. De umu’s, grondovens, zijn aangestoken zodat de warmte het werk doet en het voedsel bereid voor vandaag. Het is het enige wat iets van menselijke activiteit vermoedt. Het is oorverdovend stil. Geen kind. Geen hond. Geen kraai geeft een kik. Alleen de kerkklokken en daaropvolgende kerkgezang doorbreken de serene stilte. Voor even. Zelfs de wind is op zondag stil in het plaatsje Felemea.

Gister was dat anders. Toen zaten we achterop een truck van een vanillekweker. Onderweg naar zijn plantage. Druk pratend laat hij zien hoe je ze plukt, hoe je ze stekt. De tuin bij zijn huis staat vol met oude bedden waar stapels vanillepeulen liggen te drogen. Hij adoreert ze, vertroetelt ze. Teder draait hij de peulen om. De geur is bedwelmend zoet. Door een ongelukkig toeval heeft hij deze plantage overgenomen van een oom. Bij ons zwemmen ze nu in een fles wodka en geduldig wachtend. Over een aantal weken hebben wij onze eigengemaakte vanille extract.




Met mijn kont zit ik in het natte zand. Voor me zit een oudere dame. Haar benen goed bedekt. Zo ook haar hoofd. Het een omdat het zo moet, het ander ter bescherming tegen de zon. “Hee yo,” klinkt het. Direct trekken we beiden aan een enorm net. Aan de andere kant staan stevige mannen. Ik was amper wakker en toen waren de vissers al druk in de weer. Zaterdagavond hebben ze het net met vereende kracht netjes op het bootje gedrapeerd. Klaar om uit te gooien. Jong en oud helpen mee.Vanmorgen vroeg is het meterslange visnet met een ronkend en rokende motorbootje uitgezet. Daarna komt het zware werk. Met manskracht het enorme net binnen halen. Eens in de 4 maanden is dit een dorpsactiviteit in Felema. De vangst wordt na het binnenhalen onder alle dorpelingen verdeeld. “Hee yo,” roept de man nogmaals die overduidelijk de leiding heeft. Tegelijk trekt iedereen aan het net. Stukje bij beetje wordt de rij witte drijvers kleiner en de groene hoop op het droge groter. Ik doe mijn stinkende best. Het eerste deel van het net is binnen. Tijd voor rust. Er klinkt luid gelach en het woord palangi klinkt vaak. John en ik genieten van het schouwspel. De sfeer, de mensen; een klein inkijkje van het leven hier. Vis heb ik nog niet gezien. Snorkelaars in het water houden het net goed in de gaten zodat het niet achter een stuk koraal blijft hangen. Een van hen komt het water uit met een vis met een gebroken nek. Vast gezeten tijdens zijn vlucht in een van de mazen van het net. Weer klinkt het woord palangi. Er wordt naar ons gewezen.De jongen spoelt vervolgens de vis af en loopt op ons af. Die avond eten wij onverwacht verse vis!




“Dat hebben we goed getimed.” Ik kijk om. De pas en het dorp Felemea ligt inmiddels achter ons. In diverse pilots wordt het nemen van deze pas afgeraden. Teveel stroming. Maar het is ook de kortste en de doorgaande route naar hoofdeiland Levuka. De omstandigheden zijn gunstig. Vrijwel geen wind. Doodtij. De pas is breed en zelfs bebakend. Voor ervaren Tuamotu zeilers is het een eitje. Het anker valt bij het eiland Uoaleva.

“Komen jullie morgen ook?” Drie vriendelijk dames van het douanekantoortje kijken ons verwachtingsvol aan. “Ja natuurlijk.” We zijn in Pangai de hoofdstad van de Ha’apai groep. We moeten ons hier opnieuw melden. Dit moet eigenlijk meteen bij aankomst in een nieuw eilanden groep. Maar Pangai ligt niet praktisch en niet op de directe route. Voor het gemak melden we ons dan ook maar meteen weer af. Kunnen we gaan wanneer we willen. De lange hoofdstraat is koninklijk versierd. We kunnen het gewoon niet missen. Al doen we ons best. Zijne koninklijke hoogheid komt morgen. Het is de belangrijkste dag in het jaar. Alle eilandbewoners laten kun nijverheid zien. Onze vanillekweker komt ook. Iedereen is opgetogen. En vooral druk in de weer met de versieringen.

We weten niet zo goed wat we kunnen verwachten als we tegenover het paleis onder de hoofdpoort door gaan. We hebben het niet in de gaten. We hebben het niet door. Onze ontvangst is hartelijk, welkom en uitnodigend om vooral een kijkje te nemen bij de kraampjes met allerhande uitgestalde waar. We krijgen uitleg bij de uitgebreide viskraam. We krijgen een anti drugs t-shirt en gaan ermee op de foto. Een tapamachine wordt enthousiast geshowd. Niemand die ons iets verteld. Niemand die ons tegenhoudt. We lopen gewoon achter de fanfare aan. Onze onwetendheid brengt ons dichtbij het podium van de koning. Pas als het volkslied klinkt en de fanfarekorps is gaan zitten, staan we aan de grond genageld. Uit eerbied en vooral uit schaamte vanwege onze onhandige actie. We staan midden op het veld. Het veld dat op dit tijdstip alleen betreedt mag worden door de koning en zijn genodigden. Een politieman komt schokschouderend op ons af. Hij wil daar niet lopen. Hij moet om ons van het veld te halen. “You are not allowed here. Jullie dragen geen traditionele kleding,” zegt hij glimlachend om onze domheid. Met het schaamrood op mijn kaken, lopen we achter de man aan. Als we net als iedereen achter de kraampjes plaatsnemen, haal ik opgelucht adem. Vanaf hier vangen we nu een geoorloofde glimp op van de koning wanneer hij voorbij loopt. Net zoals iedereen.












Na afloop zeilen we terug naar het mooie baaitje Uoaleve. Ik volg onze eerder gevaren route op de plotter. Hoef ik niet zo op te letten. Per toeval kijk om de buiskap heen naar voren. Wat is dat? Voor me ligt iets zwart in het water te drijven. Pal op onze route. “Een boomstam?” Ik sta op om het beter te zien. Mijn brein signaleert vliegensvlug en zet het om in actie. Abrupt geef ik het roer een gooi. “Een slapende walvis!” Vrijwel bewegingsloos ligt het in het water. Rustig ademhalend. Maar daarom heen beweegt iets. Een klein vinnetje. Het plopt speels boven water. Het verdwijnt weer en komt ergens anders weer boven. Als we achterlangs gaan, steekt moeder walvis haar snuit bovenwater. Even wakker uit haar middagdutje om te zien wat haar kleintje gewekt heeft. Gerustgesteld duikt haar kop weer onder.

Het weer dwingt ons om Ha’apai groep te verlaten. Er wordt stevige wind uit westelijke richtingen voorspeld. Het betekent vrij spel voor de wind in de naar het westen gerichte ankerbaaien. Rest ons niets anders dan het noordelijker gelegen en meer beschutte Vava’u op te zoeken. Als we wegzeilen hoor ik zachtjes de stem van Moana. De vrouw die ik sprak tijdens het binnenhalen van het visnet: “De vulkaan hoort bij ons. Het is daar. We hebben het zelf niet in de hand als er iets gebeurd. We kunnen alleen maar vertrouwen op een goede afloop.” De vulkaan voelt inmiddels ook voor ons vertrouwd. Langzaam verdwijnt het van de horizon.

Holo pe tu’u he ko e ngalu efasi
Blijf standvastig, de golven zullen breken.
Geef niet op en heb geduld, slechte tijden duren niet eeuwig.
– Gezegde uit Tonga –

Wat een verhaal, wat een emotie, acceptatie en veerkracht van de mens en uiteindelijk ook weer van de natuur. Ze verwoestend en krachtig tegelijk. Weer een verhaal om stil van te worden en dankbaar voor te zijn. Dank je wel dat het ook na 3 jaar gedeeld mag worden met ons. ❤️
Zoals je weet vind ik eten fascinerend… die doopvontschelp…. als een soort oester zou je die moeten eten. Heerlijk (had het kunnen zijn). En ook: had maar flink wat vanillepeulen aangeschaft! Een onsje brengt al veel geld op.
Wederom mooie verhalen. Majesteitsschennis bijna, oeps.
De verwoestende kracht van de vulkaan, met de vloedgolven, juist in januari 2022. Tonga kreeg veel aandacht in de media. We denken aan wat er momenteel gebeurt in Tibet en Nepal.
Als ik jullie verhalen in mijn hoofd laat afspelen maken jullie uit eerste hand veel mee wat er gebeurt in natuur en klimaat. Mooi dat jullie dit op eigen wijze kunnen (na)vertellen. Ook na zoveel jaar, indrukwekkend