
De komende dagen zal dit huis en de bewoners van de Mentawai-stam, hun verhalen vertellen. Steeds meer zal het haar geheimen prijsgeven. We zullen ontdekken en ervaren wat de gebruiken zijn. Het onbekende zal een deel van ons leven worden. Dit huis, deze Umaa is vier dagen lang ons thuis.
Bepakt met onze waterdichte tassen stappen we uit het vrachtwagentje. Achterin zaten we met zijn allen opgepropt. Acht personen op houten bankjes over hobbelige en modderige wegen. Opgepropt tussen dozen met al ons eten. Volgestouwd met onze tassen vol spullen. Een mand met rubberen kaplaarzen. En acht personen. Bij het laatste dorpje dat nog bereikbaar met de auto is, stappen nog heel wat vrolijke dames in. Het zijn onze dragers en kokkinnen. We rijden verder tot we niet meer verder kunnen. Rubberen laarzen gaan aan. Onze voeten gestoken in lange kniekousen. Kousen die we ver moesten zoeken in de boot. We volgen onze gids Tison en de anderen de jungle in. Door smalle vochtige modderige paadjes. Over boomstammen en bruggetjes wanneer het te nat wordt. Op onze rug onze rugzakken. De anderen met manden vol met etenswaar. Op heuveltoppen nemen we steeds een kort rustmoment. De wereld is groen geworden en heeft diepe aardse geuren.
“Kukeleku.” Een ongewoon geluid hier in de jungle. “Kippen,” denk ik opgelucht. Waar kippen zijn, is ook de bewoonde wereld. Het kan nu niet ver zijn. De tocht is pittiger dan ik dacht. Tussen de exotische bomen en palmen verschijnt een grijs bladerdak. Als ik iets verder doorloop, staat er een enorm huis op palen voor mijn neus. Verscholen in het groen. We lopen om het huis heen. Via een boomstam met uitgehakte traptreden betreden we het enorme huis. De laarzen moeten uit. Gelukkig die warme kousen ook. Op blote voeten lopen we het huis binnen. Een gigantisch open ruimte. We nemen plaats op houten vensterbanken. Een wand van de veranda is zo gemaakt dat je er op kunt zitten. Wij niet alleen. Er zijn een flink aantal jongeren meegekomen.
Ik kijk mijn ogen uit. Het voorportaal is iets verdiept. Grote trommels hangen aan het verhoogde plafond. Aan de balken zijn schedels van dieren bevestigd. Midden in de enorme ruimte is een vuurplaats. Keukengerei links. Achterin staat een scheidingswand. Ik kan niet zien wat daarachter zich bevindt. Gedroogde bladeren en attributen in een mand. Vragen. Er borrelen zoveel vragen bij me op.




Niet veel later schuift iemand naast me op het houten bankje. Een indrukwekkende man. Groot is hij niet. Hij zelfs klein van stuk. Veel om het lijf heeft hij niet. Hij draagt niets meer dan een lendendoek, kettingen en een aantal armbanden. Tussen zijn vingers een sigaret. Tot mijn verbazing ook een opzichtig horloge. Zijn gezicht en lijf vol tatoeages. Kleine pretoogjes kijken me aan. “Welkom in mijn huis huis,” zegt ‘Papa’. Hij verontschuldigt zich omdat ‘mama’ er niet is om ons te begroeten. ‘Mama’ is gaan vissen. We zullen haar morgen ontmoeten. ‘Papa’ is een sjamaan ofwel de Sikerei. Hij staat aan het hoofd van dit huis.
Ik lig wakker. Het matrasje waarop ik lig is zo dun dat ik na vijf minuten liggen al mijn botten voel. Ik bedenk dat de Mentawai zelfs dit dunne matrasje niet gebruiken. Na twee uur draaien als een kippetje aan het spit weet ik niet meer hoe ik moet liggen. Naast me ligt John. Onder de volgende klamboe net naast John, ligt iemand flink te snurken. Ik pak het dikke deken dat ongebruikt bij mijn voeten ligt. Ik vouw het drie keer op en leg het onder mij. Het verlicht iets. Dan zie ik door de klamboe schijnsel van licht. Vaag en ver. “Wat is dat?” De honden slaan aan. Ze hebben ook iets ontdekt. Mijn hart begint sneller te kloppen. Wild lopen ze over de losliggende planken die als pianotoetsen op en neer gaan. Telkens klinkt er een doffe bonk wanneer het terugvalt op zijn plaats. Stemmen. Ik hoor duidelijk stemmen. “Wie zijn dat?” De honden rennen heen en weer. Ik hoor ze trippelen. Doffe voetstappen zijn nu heel dichtbij. “Wat nu?” John wakker maken? Dan herinner ik me dat ‘papa’ ‘mama’ ging halen eerder op de avond. Mama was gaan vissen. Met pijl en boog vertrok ‘papa’ het duister in. Ze zullen elkaar gevonden hebben en naar huis gegaan zijn. De geluiden sterven weg. Het gestommel houdt op. Ik ben weer in slaap gevallen.

“Kling, klang, ting.” Met het gevoel dat ik amper slapen heb, sta ik op. Mijn uitstekende ribben en heup doen pijn. Ik ben, geheel tegen mijn gewoonte in, blij dat ik op mag gaan staan. De dochters van ‘papa’ zijn bezig met ons ontbijt. Westers want het hunne vinden we niet lekker lekker volgens Tison onze begeleider. Ze gebruiken de enorme vuurplaats midden in het huis. Hun kookgerei staat in kasten en op planken aan de linkerzijde van het huis. Aan de rechterzijde zijn onze slaapplaatsen afgeschermd door een klamboe. De kippen en eenden hebben hun eten allang gehad en scharrelen vredig over het erf. Wat een verrassing en verwennerij. We krijgen pannenkoeken met hagelslag, gebakken banaan, geroosterd brood met ei.
Na het eten omhelst mama nadat al haar ochtendtaken er op zitten, ons alsof we elkaar al jaren kennen. Ze neemt een snuifje net naast mijn oor terwijl ze dat doet. Een manier om haar genegenheid aan ons te tonen. Een stralende lach vol scheven tanden als ze me aankijkt. Het duurt even voordat ik het goed zie. Haar tanden zijn puntig. Ongewoon puntig. Het is het schoonheidsideaal voor de Mentawai vrouwen. Alleen moedigste vrouwen laten hun voortanden slijpen in punten. Vijftien jaar was ze, toen ze het liet doen. Dan laat ze me los en steekt een sigaret op.
Na ons ontbijt laten twee dochters zien hoe ze hun ontbijt maken. Het gebeurt in de laatste kamer van het huis. Daar zijn twee kleinere vuurhaarden. Dit is het kookgedeelte en tevens het slaapvertrek voor vrouwen. Dus ‘mama’s slaapkamer. Het meel van de Sagopalm wordt in een blad gevouwen en dicht gewikkeld. Ik probeer het ook. Het valt niet mee om zonder meel te knoeien het bundeltje dicht te vouwen. Daarna wordt het, steeds kerend, boven een koolvuurtje gegaard. Om dat meel te krijgen, gaat een langdurig proces van fermentatie aan vooraf. De Sagopalm kappen, in stukken hakken, laten weken, fijnstampen, malen en drogen. Na zo’n 10 minuten zijn ze gaar.





Een asgrauwe stengel komt tevoorschijn wanneer ik het verkoolde blad verwijder. Ik neem een hap van de Sagu. Het is krokant met weinig smaak maar vies is het zeker niet. Een hartige dip of een lik jam zou lekker zijn. Dit voedsel is het voornaamste voedsel van de dag. Als ontbijt, lunch en avondeten. Elke dag opnieuw.
Na het eten gaan we op pad. Papa en de broer van mama gaan ons voor. Op blote voeten lopen ze bijna huppelend door de modder. Wij sjokken op onze laarzen er achteraan. Zij in hun lendendoek. Wij in onze korte broek en shirt. Die lendendoek is gemaakt van een bast van een speciale boom. Op de juiste plek blijven we staan. De boom is hier te vinden en een waterstroompje is dichtbij. Een rechte stam van zo’n 3 meter lang wordt gekapt. ‘Papa’ spreekt de boom zachtjes toe. Rustig en kalm. Een klein respectvol gebaar. Hij bedankt de boom dat het zijn leven heeft gegeven. Het ontroert me. Het is een klein intiem gebaar en groots tegelijk. Als ik niet oplette, zou ik het gemist hebben. Zo recht mogelijk snijden ze een stuk bast van 10cm bij 2.5m in. Ze kloppen er op en trekken vervolgens het hele stuk eraf. De houterige buitenkant wordt verwijderd. Het zachte gedeelte, de tussenlaag, wordt gewassen in een stroompje en op een steen gelegd. Met een speciaal gereedschap wordt het platgeslagen waardoor het zacht en uitgerekt wordt. John mag dat slaan uitproberen. Een fantastisch ritme klinkt door het oerwoud wanneer hij en de broer van mama samen spelen.






’s Middags gaan we naar het huis van ‘mama’s’ broer en ontmoeten de familie. Een dame op leeftijd draagt zelfs geen topje zoals mama. Het huis is exact hetzelfde. Groot en vol met relikwieën zoals bij ‘papa en mama’.

Een andere familielid komt langs. Hij laat ons zien hoe het dodelijke gif gemaakt wordt voor de pijlpunten. Kleine hoeveelheden natuurlijk materiaal ligt voor hem. Een zeer kleine chilipeper. Groene blaadjes en takjes. Zorgvuldig bereidt hij alles voor door het fijn te hakken. Hij voegt de drie ingrediënten samen. Een gedeelte stopt hij tussen een klem van bamboe. Met enorme kracht perst hij een paar druppels uit het goedje. Uit een dikke bamboekoker haalt hij een tiental puntige pijlen. In uiterste concentratie smeert hij de punten in.



“Hoe dodelijk is dat gif,” vraag ik als hij klaar is. Ik kan me bijna niet voorstellen dat deze drie producten zo giftig zullen zijn. “Heel dodelijk,” is het korte antwoord dat ik krijg. Hij illustreert zijn antwoord met een pijnlijk voorval uit het verleden. Een jongetje had de koker met pijlen gevonden en uit nieuwsgierigheid de pijlen te voorschijn gehaald. Toen hij ze keurig wilde opruimen lukte hem dat niet. De pijlen moeten namelijk om en om met de pijlpunten omhoog of naar beneden opgeborgen worden om te passen in de koker. De pijlen van de jongen stonden allemaal met de punten omhoog en paste niet. Hij duwde met zijn hand de pijlen verder en prikte zich. 10 minuten later vonden ze hem dood. Via de tamtam, de grote trommels dat elk huis in de nok heeft hangen, werd het bericht doorgegeven. De vader kon niet geloven wat hij hoorde; iemand overleden in zijn huis. Bij terugkomst vond hij zijn levenloze zoon. Hij kon het verdriet en zijn schuldgevoel niet aan en ontnam zich van het leven. Na het horen van dit verhaal zie ik ervan af om de werkspullen van dichtbij te bekijken

We bevinden ons in twee werelden. Een soort Twilight Zone. De oude gebruiken en de jonge generatie die hun roots herontdekken. Papa die geheel volgens de tradities leeft. Tussen alle hectiek van de bezoekers gaat hij ongestoord door met zijn dagelijkse beslommeringen. Mama overigens ook. Sinds de jaren 60 werd deze manier van leven verboden door de Indonesische overheid. De overheid erkende vijf religies maar niet die van de van Mentawai-stam. Huizen en zeer oude gebruiksvoorwerpen werden verbrand. Tatoeages werden verboden. Heb je ze wel dan kun je geen studie volgen of baan krijgen. De spirualiteit van de Mentawai was volgens de overheid geen geloof en moest uitgedoofd worden. Het tij is inmiddels gekeerd. De jongeren zoals Tison en ook de kinderen van ‘papa’ willen de cultuur behouden maar wonen elders, leven en kleden zich anders. Niet alleen onze gids Tison maar een heel team aan jongemannen is namelijk mee. Zij helpen en lopen mee als een soort stagiaires die alle kneepjes van de Mentawai-cultuur te leren krijgen. Elke avond zingen ze vrolijke liedjes. Ze zichzelf begeleidend op gitaar. Zij en wij hebben pret met elkaar. Het is echt een vrolijke boel bij de tafel.


De jongelui zitten vrijwel allemaal vol tatoeages. Meer dan ‘papa’ die elke tatoeage, titi, zorgvuldig heeft laten plaatsen. Pas wanneer hij vond dat hij ze verdiend had, liet hij er een zetten. Het verdienen van een tatoeage is er niet meer bij. Papa keurt het goed. Hij heeft liever dat de afbeeldingen bewaard blijven dan dat zullen verdwijnen. Verdwijnen doen ze zeker niet. Trots lopen de jongens met hun blote bast rond. Achterop hun rug staat een simpele voorstelling van een kano. Het symboliseert het leven van de Mentawai-stam. Het staat voor het vinden van balans tussen natuur en cultuur zoals een kano in balans moet zijn. Op onze tweede avond stapt er een man het huis binnen. Dat hij bijna naakt is, valt allang niet meer op. Hij komt voor een tatoeage. Traditionele kettingen gaan om. Gereedschap en inkt worden uitgepakt.

De man neemt plaats op een matje in het verlaagde voorportaal. Vrijwel elke jongeling zit er om heen. De naam titi is overduidelijk een afgeleide van het geluid dat het maakt. De man houdt zich groot maar zijn gezicht vertrekt meer en meer. Handen liggen op zijn lichaam ter bemoediging. Een stille bedoening is het zeker niet. De jongens lachen, zingen en maken grapjes over de pijn van de man. “Kupatu o o, Kupatu ta, Kupatu au au.” Mischien ja, misschien, nee, misschien au au. De man lacht even hard mee. Hij is niet de enige die voor een tattoo komt. Op meerdere lijven komen zwarte lijnen. Ze veranderen van tatoeëerder tot de getatoeëerde.


Dan uit het niets begint ‘papa’ te zingen. Het klinkt, voor ons, ongewoon en nasaal. Hij richt zich tot John en sluit zijn ogen. De omgeving is vergeten. In trance zingt hij verder. Zo’n persoonlijk en intiem moment. Het raakt me, ondanks dat ik niet begrijp waarover hij zingt, diep in het hart. Eerder die avond hebben we onze manier van leven gedeeld. Over onze reis en onze boot. Tison zegt dat papa, ons voorspoed en een veilige reis toegezongen heeft.






De volgende dag gaan we op zoek naar larven. Centimeters groot. Centimeters dik. Ready to eat. Larven van Sagopalmtor. Het is dezelfde palm waar het brood en het kippenvoer van gemaakt wordt. Zorgvuldig wordt er een palm uitgekozen en gekapt. Deze laten ze een tijd rotten totdat de sagopalmtor zijn gang gaat met opruimen en daarbij de hulp inroept van zijn nageslacht. De larven. Na een enorme dreun van de vallende palm, lopen we terug het modderpad af. Ik let niet op. Ik heb mijn voet in de zachte modder gezet. Meteen wordt mijn laars vastgezogen. Ik krijg het zonder hulp niet vrij. Op blote voeten lopen heeft zo zijn voordelen. ‘Papa’ loopt als een veertje zo licht over datzelfde modderpad. Een eerdere omgehakte palm wordt verder opengelegd. Enorme gangenstelsels binnenin verraad bewoners. Niet veel later kruipt er een, raar rollend, over een vers geplukt blad. Tison neemt er één tussen zijn en steekt het onder protest van het dier in zijn mond. Met afgrijzen bekijkt ik het. Een paar keer kauwen en het dier weg. “Zal ik? ” Een delicatesse zeggen ze. Nee, geen haar die er aan denkt om er eentje te eten. Die van John ook niet. Wij wachten wel tot ze gekookt zijn.












Mama neemt ons mee om te gaan vissen. We kleden ons eerst netjes aan. De dames dan. Een vers geplukt bananenbladrokje wordt me aangemeten. Verschillende bloemen worden in mijn haar gestoken. Een ketting met glazen kraaltjes hangt om mijn nek. Opgemaakt en netjes om de natuur te eren voordat we een deel van haar zullen afnemen. Een bamboestok is onze verzamelbuis en wordt achterop de rug gedragen. Een visnet is ons wapen. Ik kom er snel achter dat mama en haar dochter veel meer vangen met blote handen. Mama loopt op blote voeten het water in. Ik volg nauwgezet met mijn laarzen aan. Ze hebben geen enkel nut want binnen en mum van tijd zijn ze volgelopen met water. “Gets, natte voeten.” De eerste guts water is naar. Daarna alleen vervelend omdat het zwaarder loopt. Ik doe exact wat mama doet. Onder en achter rotsen graaien naar vis. Waar zij haar hand vol heeft en de vangst in de bamboestok doet, heb ik steeds lege handen. Ik moet verdraaid snel zijn om een vis te vangen met het net of te grijpen met mijn handen. Met een beetje geluk van mama heb ik een vis. Ze gooit er eentje ongezien in mijn net. Ik juich om mijn eerste vis en kijk trots naar John. Meteen kom ik erachter dat de vangst niet mijn verdienste is. Nu nog grijpen, niet laten glippen en opruimen in mijn bamboebuis. Het is de eerste keer dat ik een levend visje vast houdt en laat me niet kennen. Ik pak het vast en stop het vliegensvlug achter me in de bamboe. Garnalen, krabbetjes, visjes en zelfs kikkers. Alles wordt gevangen en gegeten.

Mama grijpt aldoor ver onder de rotsen en kieren. Ik volg haar voorbeeld op de voet. Het duurt even maar eindelijk heb ik mijn eerste en enige garnaal te pakken. Het wordt een magere lunch als het van mijn vangst zou afhangen.


Een hele middag zijn ze weggeweest. Papa en twee jongemannen. Ze komen terug met een levende bundel ingepakt in vlechtwerk van een palmblad. Alle aanwezigen mannen zijn meteen in rep en roer. Leeftijd maakt niet uit, Ook de tweejarige kleinzoon is er als de kippen bij. Zo ook de honden. Zij weten precies wat er staat te gebeuren. Ongemerkt. Onopvallend. Vrijwel onopgemerkt knielt ‘papa’ bij het varkentje neer. Hij kalmeert het en spreekt het toe. Hij bedankt het voor zijn leven en opoffering. Het arme dier zal voor onze ogen en volgens oud gebruik worden geslacht. Het dier wordt overgedragen aan drie jongemannen. Geruisloos, zonder wisseling van woorden weten ze exact wat ze moeten doen. De anderen kijken, net als wij, toe.
Het dier wordt op de verhoging van het voorportaal gelegd met zijn kop net over de rand. Er onder staat een houten schaal. Ik bespaar jullie alle details aan geluid en beeld van wat er voor mijn ogen gebeurd. Een wil ik wel delen. Het hart van het varken wordt met eerbied aan ‘papa’ gegeven. Boven een schaal leest hij het hart. De kleinzoon zit er met zijn neus bovenop. ‘Papa’ bekijkt alle kanten van het hart om vast te stellen dat dit varkentje een goed leven heeft gehad. Hij knikt. Goedgekeurd.
Daarna volgt het afbranden van de haren. Het schoonwassen in de rivier. Het in stukken snijden van het vlees. Grote pannen staan op het houtvuur op de vuurplaats midden in het huis. Een pan voor het orgaanweefsel en bloed. De andere voor het vlees.
Papa bekijkt alles van een afstandje. Het wordt zorgvuldig gekookt, geroerd en bekeken. Alles lijkt vanzelf te gaan. Iedereen kent zijn taak. Geen overbodig woord valt. Af en toe roert papa ook. Voor extra smaak denk ik. Nu wordt ook duidelijk waarom de schedels aan de steunbalken bevestigd zijn. Na bereiding worden de schedels van de dieren van de jacht naar buiten toe op gehangen. De spirituele geesten van deze dieren roepen de nog levende dieren en vertellen dat het goed is in deze Umaa zodat ze makkelijker te vangen zijn. De varkens die, zoals de onze, ritueel geslacht zijn maar niet wild zijn, worden naar binnen toe opgehangen. De geesten van deze dieren blijven zo binnen om de mensen te beschermen en voorspoed te geven.

Wanneer het vlees gaar is, wordt het in kleine hapklare stukken gedeeld en heel precies uitgezocht. Het vlees wordt verdeeld over de vele borden en houten schalen. Op elk bord komt precies evenveel en precies hetzelfde vlees. Een schaal gaat mee met twee sjamanen die op bezoek zijn. Ze zijn van de huizen naast de onze. Ze verdwijnen naar het vrouwengedeelte. Ik weet niet of het mag. Maar het beeld is zo mooi; twee mannen in het donker met een klein schijnsel licht. Te mooi om er geen foto van te maken.

Ze vragen me binnen. John is me gevolgd. Ze nodigen ons uit om te gaan zitten. Dat aanbod nemen we graag aan. De lekkerste stukken vlees zoeken ze voor ons uit. “Hier proef.” Het vlees smaakt heerlijk. Zo mals en sappig. Dan schuiven ze de overgebleven stukjes in hun vers gekapte bamboe bewaardoos. ‘Papa’ roept ons te komen. We worden verwacht aan tafel. Weg is dit mooie intieme moment. Die tafel is niet meer dan een groot kleed op de vloer voor die grote open vuurplaats.

In het midden staan de schalen vlees. Daarnaast ligt sagubrood. Nu kunnen we het dopen in het vleesvocht. Het overgebleven vlees wordt in een bamboe gedaan en nog eens verwarmd om te conserveren. Voor ons een gekke gewoonte maar hier staan ze op en gaan direct van tafel wanneer ze klaar zijn met eten. De rest blijft verder eten terwijl ze aan de grote tafel gaan roken.



Papa maakt zich op klaar voor de dansen die ze gaan uitvoeren. John en ik zijn nieuwsgierig en nemen een kijkje in zijn kamer. Die kamer is niet meer dan een hoek in de grote ruimte. Kettingen en op kledingstukken lijkende voorwerpen hangen over een tak. ‘Papa’ s gezicht is geel van de kurkuma dat hij erop gesmeerd heeft. Verschillende kralenkettingen hangen om zijn nek. Als hij ons ziet, glimlacht hij. Ik bekijk de kettingen van dichtbij. “Ze zijn van mijn over over grootmoeder,” zegt hij trots. “En zij heeft ze ooit gekregen van de Hollanders.” Wat een stuk geschiedenis. Een voorwerp dat jaren geleden van hand tot hand ging, kan ik nu en hier, in het heden, opnieuw aanschouwen.






De ruimte achter de vuurplaats vormt het podium. Snelle voeten stampen op de houten vloerdelen. De planken wippen op en vallen met een doffe plof terug op zijn plaats. Het huis dient als een grote trom. Het geeft extra diepte aan het ritme en de maat van vlugge handen op de trommels. Trommelaars, de jonge generatie, zittend op de grond begeleiden de drie sjamanen tijdens hun dans. Voor de gelegenheid zijn de sjamanen feestelijk gekleed met extra kettingen, bladeren en een soort rok. Een nasaal onverstaanbaar gezang ondersteunt hun bewegingen. Een onvoorstelbaar stukje geschiedenis van tijd. Geconcentreerd en gefocust. Drie Sikerei die vol overgave hun cultuur, hun verhalen in de vorm van een dans met ons delen.

Ik lig in het rivierwater. Gestapelde stenen als dammetje om het water vast te houden. Op mijn onderbroek na bloot. Alleen met mijn gedachten. Ik staar omhoog. Hoeveel mensen hebben zich hier in de 2000 jaar dat deze cultuur bestaat, gewassen? Dit woud heeft eeuwenlang gezorgd voor deze mensen. Ik vraag me af hoe het verder zal gaan. Zal dit huis na ‘papa’ en ‘mama’ nieuwe bewoners krijgen? Hoe lang nog voordat de cultuur verandert in folklore? Het Mentawai leven beleeft in plaats van geleefd. Wat zou er over blijven van de spiritualiteit? Zullen het enkel nog herinneringen zijn? Ik haal het dopje van de shampoo en was mezelf in de rivier. Er is verder niemand. De laatste flarden van de ochtendmist trekken op. Zo stil. Zo vredig. Ik ga kopje onder en spoel me schoon. Na het ontbijt pakken we ons spullen in. De klamboes worden weggehaald. Het huis dat ons zo welkom was, is weer zoals het was; een grote vrijwel lege ruimte. Het is echter een varkenskop rijker. Die van ons varkentje. Een nieuwe bezielde geest zal dit mooie huis en haar bewoners extra kracht bescherming geven. Een laatste innige omhelzing. Een laatste foto. Dan is het tijd om te gaan. Tijd die niet afgelezen wordt op horloges van ‘papa en mama’. De tijd op hun klokjes staat stil. Geen enkel blik wordt erop geworpen. Zij leven met de cirkels van tijd. Namelijk die van de natuur. Het is enkel een sieraad.

Een laatste wandeling door de jungle en langs de rivier. Volle laarzen omdat we soms door het water waden. Bootjes wachten op ons. We stappen in een van de twee. De smalle boot sjeest door het ondiepe water. Af en toe raken we de bodem aan. Het brengt ons terug naar ‘onze’ wereld.


“Moile, moile”
betekenis: rustig aan, relax, neem het leven niet te serieus.
-Taal van de Mentawai bevolking-









Wat een ongelooflijke beleving om zo mee te lopen/leven op de Mentawai wijze. Je geweldige beschrijving Ada, maakt het nog intenser en net of we erbij zijn geweest. De fotos zijn echt ongelooflijk.
Wat een prachtige belevenis, en zo mooi beschreven. . En heel mooie foto’s
Moile moile wat een prachtig nieuw gezegde. Je verhaal is zo puur en oprecht; bijna teder. Ontroerend en verdiepend. Wat een eer wat een bijzondere ontmoetingen. En wat waardevol dat John (en daarmee jullie) zijn toegezongen. Men laat zichzelf alleen zo zien als jullie openstaan om te ontvangen en dát hebben jullie gedaan! En wat een eer en ik hoop dat men ook rust & ruimte krijgt om te behouden. X
Wat een wereld zo mooi dat wij niet kennen
en jullie hebben het beleefd
ongelooflijk
Mooie belevenis! Prachtig beschreven.
Moile, moile… ik was zo relaxt dat ik geen zin en tijd had voor de computer. Nu wel.
Zo te leven met de natuur en respect voor huis, haard, natuur en al het leven er in. Wijze lessen.
Je zou het varkentje een snelle dood toewensen, scherpe messen. Heel bijzonder verhaal.
Voor heel weinig mensen is dit gebied toegankelijk. En laten we dat zo houden. Hopelijk gaat het geen gebied worden voor massatoerisme. Het zal moeilijk worden voor de jongeren die in deze twee werelden leven.