We doen het nooit; uitklaren op het allerlaatste moment. Uitklaren op de dag dat ons visum verloopt vraagt om moeilijkheden. Dit keer doen we het wel. Nauwlettend houden we tot die datum het weer in de gaten terwijl we zo lang mogelijk op een onderdeel voor de motor wachten. Het onderdeel komt niet. Het weergaatje blijft. We klaren bijna op het allerlaatste uur uit. De dag daarna vertrekken we. De deining uit het zuidwesten is hoog. Zo’n 4 à 5 meter met een interval van zo’n 13 seconden. “Jullie zullen niet meer dan opgetild worden,” zegt men hier in de jachtclub van Saldanha. De wind is kalm aan het begin en aan het eind van de tocht. In het midden een stijve bries maar met ons mee. Het moet te doen zijn.
Verkleumd in mijn zeilpak zit ik in de kuip. Snel kijk ik om mij heen en verdwijn vliegensvlug onderdeks. We varen op de koude zeestroom dat helemaal uit Antartica komt, richting Namibië. Het is heel lang geleden dat ik, vanwege de kou, mijn thermo-ondergoed aan heb moeten trekken. Daarover heen mijn zeilpak. Een tussenlaag in de vorm van een dikke fleece-broek en fleece-trui houdt me warm. Dikke sokken in zeillaarzen en een sjaal om mijn nek nemen het laatste restje kou weg. Het weer doet precies zoals het voorspeld is. Halverwege de tweede nacht neemt de wind inderdaad flink toe. Van de deining merken we gelukkig weinig. De laatste dag begint net zoals de andere dagen, stralend. Een half uur later weet ik niet wat ik zie. Ik zie namelijk niets. Dikke saaie mist ontneemt al het zicht en voelt waterkoud. De zon probeert uit alle macht er doorheen te prikken. Niets meer dan een enkel straaltje lukt om een blauw veeg te toveren, om vervolgens weer te dicht te slibben.

De wereld is klein, koud en nat. Verhuld in een dikke sluier van mist onthult Luderitz voorlopig helemaal niets. De havenmeester laat me het hele nautische alfabet langsgaan omdat ze onze naam, bootnaam en plaatsnaam niet verstaat. “Romeo – Hotel – Alfa – Papa – …” Rhapsody lukt me feilloos. Johns naam heb ik nog nooit geoefend. Gelukkig vind ik het spiekbriefje voordat we bij Alphen aan den Rijn zijn aangekomen. Pas als we heel dichtbij zijn, zien we de boeien van het havenkommetje op de kaart in het echt naast ons. Het anker valt naast de boot Bloutand. Een betere naam in deze omgeving bestaat niet. Mijn tanden klapperen van de kou en mijn lippen zijn blauw.

“Ik hou mijn zeilbroek aan hoor.” Ik ben niet warm te krijgen en heb ik ook weinig tijd om me om te kleden. We kunnen namelijk nog net voor het weekend inklaren als we een beetje opschieten. Nog niet eerder zijn we zo snel na aankomst naar de kant gevaren. Er is zelfs geen tijd voor een aankomstbiertje. Terwijl ik alleen in een kantoortje zit voor mijn visumaanvraag, hoor ik John met iemand praten. Dan klinkt het als een geagiteerd gesprek. Ik luister. Johns stem hoor ik niet. Ik kan het gesprek niet goed volgen omdat ik zelf nauwkeurig al mijn gegevens moet doorgeven aan de dame achter de computer. Als ik me bij hen voeg, hoor ik waar het om draait. Verwarring alom. Wij komen uit Zuid Afrika en daar heerst de mond en klauwzeer ziekte. Een serieuze koeienziekte. We hadden, voordat we voet aan wal zetten, eerst door een bak met een desinfecterend middel moeten lopen. De ene man ziet niet in waarom we dat nu nog zouden moeten doen. “Ze hebben al door het halve dorp gelopen.” Het is Giel. Hij had onze tocht gevolgd, zag ons bijbootje liggen en is naar ons toegelopen. Vooraf aan onze tocht heb ik contact met hem opgenomen want hij is de vraagbaak voor zeilers. De andere man die de boodschap bracht, pruttelt nog wat na en druipt uiteindelijk af. Hoe konden we dat nou weten als de havenmeester ons alle te volgen stappen via marifooncontact meldt, behalve deze schijnbare meest belangrijke eerst stap.
Giel helpt ons verder en loodst ons langs de andere twee autoriteiten. Als alle officiële handelingen achter de rug zijn, laat hij ons het plaatsje Luderitz zien. Van musea naar de kerk. Van winkels naar de beste restaurants. Minutenlang wacht hij tot wij onze sim-kaartje hebben want het was zo rustig dacht hij. Als laatste drinken we ons welverdiende aankomst biertje in een alleraardigst restaurantje. Tot mijn verbazing sluit hij de auto niet af. “Je kunt gerust alles in de auto laten. Er gebeurt hier niets,” verklaart hij. Toch laat ik John onze rugzak met onze papieren meenemen. Je weet het maar niet. En al die tijd loop ik te sjokken in mijn zeilbroek en te soppen in mijn laarzen want de zon is inmiddels door de mistlaag heen gebroken.
De volgende dag belt Giel op of we meewillen naar het schiereiland. Hij wil jakhalzen water geven in deze droge tijd. Daar zeggen we geen nee tegen. Zodra we Luderitz uit zijn, trekt alle kleur uit de omgeving weg. Asfalt heeft plaatsgemaakt voor onverharde zandwegen. Een desolaat maanlandschap is wat overblijft.

Zandduinen, rotsen, de weg. Alles glinstert door vermoedelijk diamantstof in het zand. Giel rijdt inmiddels over een smal duinpad naar de bestemming. Als we uitstappen vallen de sporen van de jakhalzen meteen op. Terwijl Giel het water in de tonnen bijvult, zit ik op mijn knieën en met mijn neus net boven het zand. “Kijk je uit voor slangen,” roep Giel. Ik verwonder me aan de planten die in dit vijandelijke landschap kunnen groeien.



Alles laag bij de grond. Plantjes met kleine dikke vettige blaadjes. Korstmossen. De wilde geranium is een vrolijke uitzondering op het grijs grauwe pallet.

Helaas laten de jakhalzen zich niet zien. “Het is nog te vroeg in de middag.” Giel rijdt door naar het uiterste puntje van het schiereiland waar de Portugese zeevaarder Diaz ruim 500 jaar geleden een kruis geplaatst heeft toen hij dit land ontdekte.

Op zondag zijn we bij Giel thuis te vinden voor een uitgebreide gezellige braai. Drie dagen na onze aankomst kunnen we eindelijk uitrusten van onze overtocht en de superleuke en drukke dagen met Giel. Het waait en giert af en toe 40knopen wind. Rhapsody ligt als huis, zo vast. Een tochtje met onze bijbootje zit er even niet in.

Door het koude water is Luderitz vrijwel elke ochtend gehuld in een deken van koude minuscule waterdruppels. Voordat ik mijn bed uitstap, zet John de kachel aan. Vandaag trekt de mist snel op en wordt Rhapsody’s verkleumde lijf snel op opgewarmd door de vroege zonnestralen. Luderitz, een eigenaardig Namibisch stadje ligt als een fonkelende diamant te schitteren in het omringende maanlandschap. Gekleurde Duitse herenhuizen laten de rijkdom van weleer zien. Een geel kerkje op een rots torent overal bovenuit. Vanaf die plek hebben een mooi overzicht op het plaatsje en de haven.

De heer Luderitz zocht naar koper terwijl de ruwe diamanten onder zijn neus voor het oprapen lagen. “Enkel stenen,” moet hij gedacht hebben. Toen de diamanten in 1909 door een ander eenmaal ontdekt werden, is de plaats in drie jaar tijd opgebouwd. Veel is er na die tijd niet veranderd. Immens grote stukken land werd destijds verboden gebied. Hoewel het ‘Spertgebied’ nu een nationaal park is, mag je het alleen met speciale toestemming betreden. Op de ankerplaats liggen verschillende diamantzuigboten om diamanten uit de zeebodem op te vissen. We hebben ze nooit zien uitvaren. Kleine nederzettingen bij de diamantmijnen zijn inmiddels allemaal verlaten. Vervallen huizen zijn nog enkel het bewijs van wat ooit een welvarende industrie was. Kolmanskop is zo’n nederzetting.

Ooit de rijkste stad van Afrika. Een paar gebouwen worden in stand gehouden waarmee we een indruk krijgen van die tijd. Decadentie ten top. Een casino, een kegelbaan en toneelvoorstellingen voor vermaak. Blokken ijs voor de koelkast en elektriciteit voor de verlichting. Kaviaar en champagne op de boodschappenlijst en een trammetje voor bezorging aan huis. De rest van de gebouwen is al sinds de jaren 50 overgeleverd aan de elementen en onderhevig aan de grillen van de natuur. De woestijn neemt terug wat hem ooit afgenomen was.






De welgestelde huizen krijgen steeds meer dezelfde kleur als het zand erom heen. Alle gebouwen worden regelmatig gezandstraald. Kleur is vervaagd door de tijd. Verteerd door het barre klimaat; koud, heet, droog en veel wind. Hoge duinen vleien tegen de gebouwen. Binnen liggen hoge hopen zand. Deuren zijn half onder het zand verdwenen. Een raam biedt een opening. Plafonds vallen naar beneden. Gebroken glas schittert als kleine diamantjes in de gangen van het door weer en wind getergde schoolgebouw. En overal pootafdrukken van jakhalzen. Kolmanskop is niets meer dan een spookstadje.

“Crayfish festival,” staat groots aangekondigd op de pamfletten. Luderitz kweekt, vangt en verscheept vele oesters en kreeften. Het seizoen van kreeften is echter voorbij en dat viert men met dit festival. Het wordt een week van feest. Een programma ontbreekt. Geen idee wat, wanneer en waar we wat kunnen verwachten. Muziek schelt over de kade naar Rhapsody. Als we gaan kijken, zijn er kraampjes met allerlei waar. Troep aan speelgoed, traditionele kleding, gedroogde larven, springkussens en heel veel eten. Kneuterig maar gezellig. De kleine kreeftjes worden voor €1,50 per stuk aangeboden. Een schijntje. Flinke dozen gaan als zoete broodjes over de toonbank. Een grote braaitent staat al twee dagen flink te braaien vlakbij de jachtclub. “Zondag. Zondag halen we zo’n stuk vlees voor bij de rode kool,” roep John stellig. Vandaag doen we ons tegoed aan de kreeftjes die zalig klaargemaakt zijn.



Als we die zondag de pier oplopen zien we al gauw de bakker van de roosterkoeken en zijn maat de vleesbraaier van die braaitent over de markt lopen. Mannen, die verkleed als boertje, zo uit een film weggelopen kunnen zijn. Ze vallen een beetje uit de toon tussen de ander festivalgangers. Ze steken hun hand naar ons op. Snel, maak ik een praatje met de roosterkoekenmaker. Zijn taak zit er op. Hij heeft dagen achtereen broodjes gedraaid en gebakken op het rooster. “Je draait ze vast ook nog als je slaapt.” De man lacht. Ook de vleesbraaier is er klaar mee. Bij de braaiplaats komen we bedrogen uit. De tent is vrijwel uitverkocht. We kunnen nog net een braadworst, zwarte geblakerde roosterkoek en een stokje vlees krijgen. “Ja, we waren al om 12 uur uitverkocht,”zegt de verkoopster trots.

Aan de bar van de jachtclub zitten voornamelijk mannen. Duitse nazaten met baarden. Voor hen een pul bier of een anderszins alcoholistisch drankje. Ze kijken even op. “Jullie zijn de nieuwe yachties?” “Ja,” antwoorden we. De mannen hebben amper aandacht voor ons. Ze zijn druk met een dobbelspel. Wat de spelregels zijn, blijft een raadsel. Behalve wanneer men 3x zes gooit dan moet er een borreltje gedronken worden. Wij komen er om te douchen en dan ook maar een drankje. Mijn haar nog druipend van de douche ga ik in gesprek met de hoogste man in rang van de jachtclub; de Comodore. Hij heeft even tijd voor een praatje want het is rookpauze. Niemand hier heeft een boot. Het is een jachtclub met leden zonder boten. “Ja, vroeger wel hoor.” Hij wijst naar enkele vervaagde zwart-witfoto’s van zeilboten. Niemand maalt om een boot. Het gaat om het onderling en een besloten samenzijn. Hij biedt ons een drankje aan. We vragen naar het reizen in Namibië, wat we niet zouden moeten missen en of we dat met een tent zouden moeten doen. Buiken schudden van het lachen. “Met een tent.” Het idee alleen al. Maar Namibië moeten we, volgens hen, echt met eigen ogen gaan zien. “Je kunt het land alleen beleven, voelen en zien als je er bent.”

Life keeps throwing me stones. And I keep finding diamonds…
– Ana Claudia Antunes –
(voor mijn zusje)

Je blijft je toch verbazen waar leven mogelijk is. Klopt het dat mensen vredig zijn? Het lijkt allemaal zo ver weg van politiek en economie. Jakhalzen water geven? Dat heb ik nog niet eerder gehoord, de meeste mensen hebben het niet zo op jakhalzen. Ik ben benieuwd hoe koud het was en graden celcius.
Liefs
Je spreuk van ana is prachtig gekozen. Dikke knuffel
Ada en John
weer een bijzonder verhaal ,
war een wereld dat wij niet weten
Liefs tante Nel