Ze noemen het de ‘Wild Coast’. Niet voor niks. De Zuid Afrikaanse oostkaap staat bekend als een van de meest gevaarlijke kustwateren ter wereld. In korte tijd kan een mooie meegaande wind omslaan in een felle tegenwind. Een dromerige zeiltocht met wind en stroming mee verandert dan in een nachtmerrie. Veel schuilopties zijn er niet. Een leuk weetje. Maar niet als je nog helemaal in het noorden bent en de kust nog moet afzakken.
Een beetje jaloers kijk ik naar de boten die al in Kaapstad liggen. Zij hebben het gered. Zij hebben die hele lange kust van Zuid Afrika getrotseerd. Maar wat een ander kan, kunnen wij ook. We kiezen, na 100 dagen stil gelegen te hebben, onze zeiltocht naar Durban heel precies uit. Wij hebben geen zin in onverwachte wendingen tijdens die eerste tocht. We laveren met de noordenwind veilig tussen de weersystemen uit het zuiden door. Zonder problemen komen we in het frisse ochtenduur aan bij de havenmonding van de grote havenstad Durban. Ik lig nog mijn kooi als ik denk de naam Rhapsody te horen op de radio. Het komt niet bewust bij me binnen. Ik blijf liggen. Dan hoor ik het duidelijk. Onze bootnaam wordt opgeroepen. John is buiten. Ik schiet mijn bed uit en reageer. Het is de havencontrole. Boos wordt er naar me geschreeuwd nadat ik rustig het bericht via de marifoon beantwoord heb. We moeten direct aan de kant. We liggen op aanvaringskoers met een groot vrachtschip. Totaal geen idee van de situatie, ik ben nog niet buiten geweest en besef niet wat er nou aan de hand is, schreeuw ik naar John: “Wijk uit!’ John reageert wat onnozel. “Een vrachtschip vaart achter ons!” ga ik verder. “Weet ik,” zegt John iets geïrriteerd. “Dat heb ik allang gedaan.” Er ontstaat kortsluiting in mijn hoofd totdat ik op de plotter en buiten om me heen kijk. Het vrachtschip is ver bij ons verwijderd en wij bevinden ons aan de veilige kant. “Wat een heisa om niks.”

Als ik even later de havenmeester nog eens oproep mogen we onder geen beding de haven in varen. “Zijn ze nou gepikeerd?” Pas als alle schepen binnen zijn mogen wij. Later pak ik mijn telefoon en zie verschillende verontruste berichten van een Osasa vrijwilliger die onze tocht volgt. Hij heeft zelfs gebeld om contact met ons te maken. De havencontrole was schijnbaar al lange tijd aan het oproepen geweest op havenkanaal 12 voordat ik reageerde. Wij luisterden nog uit op zeekanaal16. We moesten het nog omzetten. Inmiddels klaarwakker varen we naar de marina waar we geroutineerd aanleggen op de ons aangewezen ligplaats.

Durban is een grote stad. Heel anders dan Richardsbaai. Het kent een lange geschiedenis met oude koloniale gebouwen. De stad gaat gebukt onder armoede. Vele daklozen struinen door het afval. Plastic flessen en blikjes zijn geld waard. Hoekjes in gebouwen zien zwart van vochtig urine. De penetrante geur is niet te vermijden. We lopen door de straten in de buurt van de haven naar de boulevard. Straten waar we ’s avonds absoluut niet zouden begeven. Afgebladderde verf. Schimmel. Leegstand. Afval. Groepjes verzamelen zich op de stoep. Ze zitten of hangen tegen een deurpost. We worden aangestaard maar ook gedag gezegd. “Op de terugweg nemen we een andere route hoor.”


De boulevard oogt heel anders. Stalletjes met vrolijk jurken. Mannen die iets bij willen verdienen met Indiase versierde riksja’s. Of ze willen je naam schrijven in een zandsculptuur. Douches, zwembad èn toeristen. We banjeren wat langs de zee. Via drukke winkelstraten met lopen we terug. Een vrolijke wirwar. Er is bijna geen plek om mijn voeten neer te zetten. De stoep is bezaaid met pop-up stalletjes. Fruit, kleding en mobieltjes zie ik in de gauwigheid. Vrolijke verkopers prijzen hun waar aan als de beste koop. Nieuwsgierigen blijven staan. Opvallend veel politie beweegt er zo onopvallend mogelijk tussen. Zigzaggend om mensen en al die spullen door vinden we onze weg naar de boot terug.

Het goede weer laat op zich wachten dus maken we gebruik van de tijd. We regelen een auto, pakken onze tassen en rijden voor 5 dagen naar de Drakensbergen. Normaal wil ik overal heen. Nu kies ik bewust voor een plek; een huisje met bergzicht. De wegen zijn druk en vermoeiend. De beloofde 3 uur reistijd worden er vijf. Gedurende de tocht wordt de omgeving mooier en mooier. Als we uitstappen bij ons nieuwe thuis is die reistijd allang weer vergeten. Het houten huisje voelt meteen vertrouwd. We pakken alle spullen uit onze tassen en bergen ze in de kasten op. Truien, regenjassen, lange broeken en zwemkleding. Wij zijn voorbereid. De bergen kunnen alle weertypes op een dag vertonen. We kijken uit op Garden Castle, een op een kasteel gelijkende rotsformatie.

De eerste avond is het meteen bal. Rond een uur of vijf wordt het vreemd donker. Zware bewolking komt over de bergkam onze kant op. Het begint flink te waaien. Het waait inmiddels dat het stormt. Het bliksemt en het flitst. Het regent en het giet. Takken breken af. Het licht valt uit. Internet weigert. Het deert ons niks. Dit keer geen zorgen om onze apparatuur en of de lijnen het wel houden met die wind. Het is een machtig schouwspel met een donderend succes. Na elke felle schicht versterkt het gebergte als een enorme klankkast het geluid van de donder.

De volgende ochtend is het stralend blauw. Niets herinnert nog aan de avond ervoor. Behalve die losgerukte takken op de grond. Het is een mooie dag voor onze wandeling naar de Schone Slaapster, een grot in het gebergte. De weidsheid van het landschap is overweldigend. De grootsheid van de rotsige bergpunten is imponerend. De schoonheid van de planten is indrukwekkend. Als ik even stilsta voor een foto is John bijna verdwenen in de uitgestrektheid van dit groene gebied.

Zijn groen grijze rugzak is een mooie camouflage en maakt het er niet makkelijker op. Onvoorstelbaar dat een eerste klein wit wolkje de komst van slecht weer verraadt. Een half uur later ziet het wit van plukjes wolk boven de bergkam. Vriendelijk nog. Nog een half uur later zijn ze grijs gekleurd en blijven hangen achter de bergkam. Alsof ze wachten tot wij naar beneden gaan.




De grot is groots. Stro op de vloer is de slaapplaats ver binnen de grot. Hoewel slapen niet zal gaan door de enorme herrie van het stroompje dat hier naar beneden loopt. Ik voel me nietig in deze grootsheid. Nog niet echt uitgekeken vangen we toch de terugreis aan. De grijze wolken fronsen en pakken zwart samen. Ze zijn niet meer te houden. De eerste klap valt. Het klinkt nog ver. We zijn de bui niet voor en schuilen bij een kleine overhangende rots.

Wanneer het droger lijkt te worden, stappen we flink door. Met de bui van gisteravond nog in mijn hoofd, wil ik dat we hier snel weg zijn. Na de regen trekt de bewolking een andere kant uit en komen we droog bij de auto aan. Hier sprokkelen we hout voor onze braai vanavond.


De ochtend begint weer uitzonderlijk mooi. Lichtblauwe lucht en schoon van alle wolken. Het zonlicht valt zachtjes over de bergflanken en geeft kleur aan de dag. Vandaag geven we onze benen rust. In een jeep gaan we naar Lesotho. Het kleine bergstaatje aan de andere kant van de Drakensbergen. Om daar te komen moeten we de Sanipas nemen. Een lange onverharde weg door de bergen naar 3000 meter hoogte. Aan het eind is het sluitstuk. Een zigzaggend pad dat bijna meer in hoogte lijkt te stijgen dan lang is. We doen dit niet zelf in onze kleine autootje. We hebben wat geleerd van onze aftocht in Hluhluwe. We boeken een tour met een jeep en een ervaren chauffeur. We gaan bijna privé. Een enkele andere (beroeps)reiziger reist mee. Het klikt meteen. De man komt uit Amerika maar is meest van de tijd ergens anders op de wereld. We hebben geen gebrek aan gespreksonderwerpen die dag.

De weg slingert door de bergen. De uitzichten zijn fenomenaal. Kleurige bloemen fleuren de groene bergen op. “Daar is de pas.” zegt onze chauffeur. Hij wijst op een kaal stuk. De weg zelf is niet te onderscheiden.

We stempelen uit bij de Zuid Afrikaanse grenscontrole. Dan begint het echte werk naar boven. Vanaf nu is de weg onverhard. De gaten. De scheuren, het losse gesteente. Het gehobbel. De diepte vlak naast me met wrakstukken als bewijs dat het net zo goed, fout kan gaan. De wagen schudt hevig heen en weer. De weg is voelbaar in mijn hele lijf. De laatste 8 kilometer is een lange zigzagweg naar boven. Van onderaf is die weg nauwelijks te zien maar na elke bocht gaat de weg verder omhoog.



Als een slang kronkelt het door het immense landschap. Het is een gevecht tussen de auto en de weg. Langzaam klauteren we omhoog. Regelmatig staan we stil om de wereld om ons heen te bewonderen. We laveren van bocht naar bocht. We naderen de grenspost van Lesotho. Hier krijgen we een stempel om in te klaren en meteen ook een om uit te klaren.

Eenmaal boven is het een grote platte vlakte met aan de randen een heuvelrug. Het is kaal, op gras na. Hutjes lijken in het landschap geschilderd te zijn. De vlaktes zijn zo uitgestrekt, zo leeg. Zoveel niets en toch is er alles voor de weinige mensen die hier wonen. Dik ingepakte mannen met dekens en bivakmutsen rijden op paarden. Van ver loopt men door het veld onze richting uit. Bij een dorpje stoppen we. Meteen komen de mensen met zelfgemaakte muziekinstrumenten opdraven. Ze spelen en deuntje voor geld. Hartstikke toeristisch natuurlijk maar ik geef ze geen ongelijk. Het geeft mij de gelegenheid om een paar mooie plaatjes te schieten. De hutten zijn van steen en leem. Het dak van gras wat kriskras op het dak gelegd wordt. In een van de hutten krijgen we versgebakken brood uit een dutch oven. Ik neem gauw nog een stukje. Het is ook zo lekker. De gids vertelt dat men met vlaggen aangeeft aan wat ze te koop hebben. Wit voor brood, groen voor groente en rood voor vlees.













Het is een heel andere wereld dan het Zuid Afrika wat we net verlaten hebben. Geen winkels, geen auto’s, geen bomen, amper verlichting. Wel kleine solarpaneeltjes voor het opladen van de telefoons. De terugweg is even imposant als de heenweg.

De derde dag is weer een wandeldag. We lopen een wandeling naar de ‘pilaargrot’. Ik voel me bevoorrecht hier te zijn en volledig op te kunnen gaan in de natuur. Bij elke stap die ik zet, voel ik de berg via mijn voeten. Stenige en oneffen ondergrond maakt me oplettend. Grote stappen over keien zorgen voor pijn in de bovenbenen. De steeds warmere zon verhit mijn gezicht. De kou om mijn enkels als we door het water waden is zowel verfrissend als pijnlijk. De scheut van pijn als ik uitglijd door een losliggende steen in het stroompje is venijnig. Mijn scheenbeen schampt tegen een andere rots en bloedt. Het is gauw weer vergeten door de schoonheid van dit gebied. We hebben geen zin om de schoenen steeds weer aan en uit te doen voor elke oversteek van het riviertje. Het scheelt een hoop gedoe. Maar de modder, de takjes en scherpe steentjes op het pad maken mijn blote voetzolen op den duur uiterst gevoelig want het is verder dan we dachten. Dus gaan de schoenen weer aan. Mijn neus ruikt de aardse geuren. Elke ademhaling vult mijn longen met zuiver berglucht. Mijn ogen zoeken, nee zien, steeds een nieuw plaatje om te schieten. Wilde bloemen dichtbij en vergezichten veraf. Mijn oren horen het continue geruis van de stroom. De schaduw van een rotspartij voorziet ons van aangename verkoeling. Gieren cirkelen hoog in de lucht. Hun grootse schaduwbeelden op de bergwand verraden hun aanwezigheid. Niet meer dan speldenprikken zijn ze in de lucht. De ‘pilargrot’ vormt een aangename rustpunt voor onze lunch voordat we weer de terugtocht aanvangen. Deze wereld is zo puur.











Terug op de boot begint de zoektocht weer. Wanneer kunnen we tussen die zuidenwinden door laveren, vragen we elke dag af Het is een puzzel om tussen al die weerpatronen de juiste te vinden die ons naar het zuiden brengt. Telkens weer is het een verrassing. Wat eerst lijkt op twee dagen goed, kan ’s avonds weer veranderd zijn. Het maakt me zenuwachtig dat geloer. We maken een lijstje wat we in Durban nog meer te doen is. We bezoeken het interessante natuurmuseum in het stadhuis.


Een skelet van een dodo doet ons herinneren aan onze maritieme geschiedenis. Een fossiel van een archaeopteryx brengt ons terug in contact met zeilers met dezelfde bootnaam. Een ooit zo bruisende Indiase markt is geheel over genomen door de toeristen industrie. Een enkele kruidenwinkel en voor de rest alleen maar souvenirs stelt ons teleur. Van wat ooit bruiste van kleuren en geuren is nog maar van weinig over. Een verkoopster laat ons aan alles ruiken en proeven. Voor haar zijn we enkel geld uitgevende toeristen. Wij kwamen hier specifiek voor de specerijen om lekker te koken. John laat zich overhalen om naast masala kruiden ook een lekkere kruidenmix voor rijst te kopen.
Als we van de markt terug in de jachthaven zijn, zien we dat een boot vertrekt. Haastig kijken we het weer opnieuw. Het lijkt erop dat we kunnen. De stroming helpt ons mee en zal onze snelheid zeker met 3 à 4 knopen verhogen. Aan de eindbestemming, bij East London, staat er weinig wind dat wel. De laatste mijlen zullen we moeten motoren. Als we nu niet gaan, kunnen we mogelijk pas over een week. Echt lang hoeven we niet na te denken. Spullen inpakken en gaan!
Veel sneller dan gedacht lopen we ’s nachts de haven van East Londen binnen. Van te voren hebben we onze ligplaats al toegewezen gekregen. Het is de gastplaats aan de steiger. We hoeven alleen langs de steiger te varen. Alle stootwillen en lijnen hangen klaar. Afwezigheid van wind en het plotselinge aanknippen van een lamp maakt het afmeren heel gemakkelijk. Eenvoudig beleggen we de lijnen om de kikkers aan de steiger. Het alternatief, Rhapsody tussen twee palen aanleggen, is ons bespaard gebleven.

East London is een handige en veilige wachtplaats. De jachtclub is gezellig. De stad zelf lijkt dat niet. We worden flink gewaarschuwd voor de gevaren. Alleen tussen 9 en 12 zou het veilig genoeg zijn. We lopen een keer in die tijd. Het aanbod in de supermarkt is niet best. We zijn alweer veel te veel verwend geraakt aan de luxe supermarkten. De sfeer op straat ook niet echt. Of denk ik dat maar na al die waarschuwingen. Toch ben ik heel blij als we thuis zijn. Een volgend rondje boodschappen voelt heel decadent maar veilig in een taxi. Na een week kunnen we verder. Met vliegende vaart ronden we de kaap richting Mosselbaai. Zo laveren we veilig, overal tussendoor.
Wie niet van het avontuur weet te genieten, als het komt,moet niet klagen, als het hem verlaat–
Miguel de Cervantes Saavedra –

Wat een prachtige landschapfoto’s. Je leeft ook echt bij het weer.
Kan me zo goed voorstellen dat je zenuwachtig wordt van wachten op een goed weerwindow. Doen jullie goed door ook echt te genieten van het mooie landschap!!!!
Behouden vaart!
Wat een prachtige tocht. En gaaf om ook weer even een “vaste” plek te hebben. Mooie uitzichten en pijnlijke voeten haha. En sublieme foto’s
Super war een mooie tocht.
en foto,s